Jan en Hella

Er zullen nog maar weinigen over zijn die Hella Haase hebben gekend in de jaren voordat zij in 1948, met Oeroeg, beroemd werd. Ik ben een van die weinigen. Dat zit zo: ik was sinds mijn gymnasiumjaren bevriend met Jan van Lelyveld, die haar man zou worden. Dit wordt dan ook minder een herinnering aan Hella dan aan beiden. Over haar werk hebben al bevoegderen dan ik geoordeeld.

Het was pas in de hogere klassen van het Amsterdamse Barlaeusgymnasium dat Jan en ik elkaar ontmoetten, want hij kwam van het Utrechtse gymnasium. Ook zaten we niet in dezelfde klas, want hij was bèta en ik alfa. Maar op een goed ogenblik zaten we beiden in de redactie van het schoolblad Suum Cuique. Het blad dat wij lanceerden, was nogal een revolutionaire breuk met zijn voorganger, dat door ‘geknakte lelies’ was geleid, zoals rector Alma ze noemde. Ik moet zeggen dat de ideeën, zowel wat inhoud als vormgeving betreft, vooral van Jan kwamen.

Na ons eindexamen hebben Jan en ik en een derde vriend een zesweekse reis naar en door Griekenland gemaakt. Het was de tijd vóór het massatoerisme. Sommige trajecten, van Olympia naar Sparta bijvoorbeeld, moesten wij per muilezel en met gidsen door de bergen afleggen. In Athene aangekomen, maakten we nog een staatsgreep mee. Enfin, hier heb ik vroeger al eens over geschreven. Daarna scheidden zich onze wegen: Jan ging in Amsterdam studeren, ik in Leiden.

Maar in de oorlog zagen wij elkaar weer. Ik was, intussen getrouwd, in Leiden blijven wonen, en op een goed ogenblik stond Jan voor de deur van ons bovenhuisje aan het Rapenburg. Zijn ouders, die veel verhuisden, waren in het nabije Oegstgeest neergestreken, en Jan logeerde of woonde daar. Ik weet nog dat hij met grote ogen naar de baby placht te kijken die wij net hadden gekregen, alsof hij zoiets nog nooit gezien had. Hij nam daarmee de jonge moeder natuurlijk voor zich in.

Van Hella was nog geen sprake, hoewel ik later begrepen heb dat ze toen al wel met elkaar bevriend waren. Maar nu had hij andere plannen. Hij wilde naar Engeland via Spanje en Portugal. Hij kwam zelfs afscheid nemen, maar het eerste wat we daarna van hem hoorden, was dat hij in het beruchte kamp Amersfoort zat. Hij was aan de Belgische grens gesnapt. Maar hij werd vroeg vrijgelaten, want spoedig kwam hij ons Hella voorstellen, met wie hij intussen getrouwd was.

Dat moet vóór de barre hongerwinter van 1944/45 geweest zijn, want ik herinner mij dat zij op een dag bij ons aankwam, door de diepe sneeuw een sleetje achter zich aan slepend, waarop een kistje gebonden was waarin een baby lag. Dat moet Chrisje zijn geweest, die enkele jaren later zou overlijden – als gevolg van een verkeerde diagnose van de arts, zoals Jan mij eens jaren later vertelde.

Toen woonden zij in Amsterdam. Ik herinner me een bovenverdieping op de Keizersgracht (naast museum Fodor) en een huis in de Palestrinastraat(?). Wij woonden in Rotterdam, waar Hella ook eens kwam om een voordracht te geven in de Blauwe Zaal van het beursgebouw. Zij kwam bij ons in een gietende regen, die niet ophield en oorzaak was dat er weinig publiek was. Ze was toen nog niet bekend als schrijfster. Daarna hebben we elkaar jaren niet gezien, ook wel omdat wij ruim vier jaar in het buitenland waren.

Haar ontwikkeling tot de grande dame van de Nederlandse literatuur hebben wij slechts van verre meegemaakt, hoewel wij elkaar later met tussenpozen wel zagen, bij of met elkaar aten en over en weer aanwezig waren wanneer de een of de ander gehuldigd werd. Tot haar inner circle behoorden wij niet. Het was meer een trouwe dan innige vriendschap.

Wat voor man was Jan? Een bloedserieuze man. Ook wel een moeilijke man, zoals een collega-rechter mij eens zei. In het begin had hij het, naar het schijnt, moeilijk met de positie van man in de schaduw van een beroemde vrouw. Hij had zelf ook literaire ambities en gaven gehad, zoals op het gymnasium gebleken was. In onze ogen was het een goed huwelijk. „Hij is dood, maar mijn gevoelens voor hem groeien nog steeds door”, zei Hella in een van haar laatste interviews.

Dat heeft sommigen wel eens verbaasd. Toen zij gast was in het literaire programma van Bernard Pivot op TV 5, na verschijning van de vertaling van haar Daal-en-Bergse brieven, een vervolg op Choderlos de Laclos’ roman-in-brieven Les Liaisons dangereuses uit 1782, bekende zij, tot verbazing van de aanwezigen, dat er in haar leven maar één man was geweest: de man die al ruim veertig jaar haar echtgenoot was, die dan ook prompt door Pivot tot le beau ténébreux werd uitgeroepen.

Het was de Hella die wij hadden leren kennen. Zonder prima-donna-allures, zonder opsmuk. Ze deed geen moeite de schoonheid die zij in de jonge jaren was geweest, coûte que coûte te blijven. Ze was gewoon, liet zich ook niet meeslepen in politieke demonstraties. Links zou haar graag hebben ingelijfd, maar net zo min als Multatuli was zij progressief – althans in politieke zin.

Zij was, kortom, geen dramster, geen Simone de Beauvoir, en dat maakte het gesprek met haar, waarin zij niet domineerde, zo ontspannen. Ze trok haar neus niet op voor mensen die minder erudiet waren dan zij, al had ze, had ze gewild, ook in de wetenschap uitgeblonken. Zij was trouw aan haar man en aan zijn vrienden. Zo herinneren wij ons Jan en Hella.