Hybride erfenis van koloniaal verleden

Een fraaie worsteling met de koloniale erfenis van Nederland, dat is het Tropenmuseum 150 jaar na de oprichting geworden.

Foto: Olivier Middendorp

Waarom heeft een stad met een gematigd zeeklimaat een Tropenmuseum? Waarom zijn er in Amsterdam zoveel krissen en bisjpalen? Het Tropenmuseum is een erfenis van het koloniale verleden van Nederland. Het museum komt voort uit twee oudere musea. Het Koloniaal Museum in Haarlem, opgericht in 1864, was het eerste ter wereld in zijn soort, een, „museum van grondstoffen, natuurvoortbrengselen en volksvlijt uit de Nederlandsch overzeese bezittingen en koloniën”. Het tweede museum bevond zich in Artis. In de Amsterdamse dierentuin was in 1858 een Etnografisch Museum geopend. „Voor de mens, als hoogst georganiseerde wezen dat de dierkunde kent, behoort een plaats ingeruimd te worden in een zoölogische tuin”, meende de toenmalige directeur.

De twee collecties kwamen in 1926 samen in het monumentale gebouw in Oost, ontworpen door J.J. van Nieukerken.

Het Museum bleef tot 1945 Koloniaal Museum heten. Toen veranderde de naam in Indisch Instituut, omdat het museum zich vooral op deze kolonie wilde richten. Een deel van de Afrikaanse collectie werd zelfs afgestoten. In het gebouw kwam ook een aanmeldingsbureau voor oorlogsvrijwilligers. Maar in 1950, na de onafhankelijkheid van Indonesië, moesten de bakens verzet worden en volgde weer een naamsverandering: Het Indisch Museum werd Tropenmuseum.

In de jaren zestig en zeventig richtte het museum zich niet meer op de koloniën maar op de hele ‘derde wereld’. Het heeft niet veel gescheeld of het museum had in 1970 weer een ander naam gekregen: in plaats van museum moest het een ‘dynamisch trefpunt’ worden, waar men „de publieke opinie kon mobiliseren ten gunste van samenwerking met de derde wereld”. Toen ontstonden de presentaties die nog steeds spreekwoordelijk zijn voor het museum, van nagebouwde hutjes met poppen, een soort diorama’s die vooral armoede tentoonstellen. Ook bij het verzamelen richtte het museum zich niet op uitzonderlijke fraaie voorwerpen of kunst, maar op de dagelijkse materiële cultuur. De conservatoren verzamelden plastic emmers, goedkoop aluminium keukengerei en machinaal geweven katoentjes. Als de Yoruba in Nigeria hun tweelingbeeldjes niet meer uit hout snijden, maar plastic popjes uit de fabriek kopen, doet het Tropenmuseum mee.

Die aanpak is in de jaren negentig steeds meer verlaten. Alleen in het Kindermuseum, populair bij schoolklassen, worden nog huisjes en kraampjes nagebouwd zoals die vroeger het hele museum karakteriseerden.

De status van volkenkundige musea wordt dankzij de globalisering steeds ingewikkelder. Het Tropenmuseum is meer kunst van kunstenaars uit ontwikkelingslanden gaan tonen, maar hoort hun werk niet gewoon thuis in de reguliere kunstmusea? „Het Tropenmuseum presenteert, onderzoekt en bevordert de kennis van en wisselwerking tussen culturen”, heet het nu officieel. In de eenentwintigste eeuw laat het museum ook het westen binnen in het gebouw, met tentoonstellingen die middels een rode draad een cultureel verschijnsel wereldwijd belichten.

Vorig jaar was dat Rood, een tentoonstelling die de betekenis van deze kleur in diverse culturen behandelde, waaronder de Nederlandse. Op 3 november moet De dood leeft opengaan: een expositie over rouw, die ook Nederlandse rituelen onder de loep neemt.