De zegetocht van de verbale verhuftering

Kan je als politicus nog fatsoenlijk blijven nu het beledigen tot het parlement is doorgedrongen?

Een beknopte geschiedenis van het schelden en vloeken.

Veel mensen zouden het ‘verschrikkelijk’ vinden. En dat is de reden dat Cohen zich niet wil verlagen ‘tot onfatsoenlijk gedrag’. Het klinkt alleraardigst, maar toch zit de PvdA in een historische dip. De grootste bullebak van het parlement, de PVV, is virtueel al bijna twee keer zo groot. Blijkbaar is de Nederlander niet vies van ‘onfatsoenlijk gedrag’.

Een tijdje geleden liep ik langs een grote poster op Utrecht Centraal. Met koeienletters stond erop afgedrukt: ‘VLOEKEN HELPT NIET!’ Het was een poster van de Bond tegen het vloeken. Eronder had iemand gekalkt: „Bidden ook niet.”

Biddend of vloekend, Cohen zal hoe dan ook met iets nieuws moeten komen om zijn partij – en zichzelf – uit het slop te helpen.

De Bond, in 1917 opgericht om ‘het schenden door het vloeken van Gods heilige Naam’ tegen te gaan, lijkt ook al een verloren strijd te voeren. Leraren worden uitgescholden door boze ouders, hulpverleners verbaal gemolesteerd door losgeslagen jongeren en zelfs politici weten zich niet meer fatsoenlijk te gedragen. Uit onderzoek van dagblad Trouw is gebleken dat Nederland vooral excelleert in het online schelden. De idiote reacties onder ieder goed bekeken YouTube filmpje zijn daar het beste bewijs van. Er lijkt maar één conclusie mogelijk: ons land verhuftert in rap tempo.

Toch vertelt de geschiedenis van het schelden ook een ander verhaal. Scheldwoorden bieden een fascinerende documentatie van de taboes die heersen in een bepaalde samenleving. ‘Kanker’ is bijvoorbeeld een grof scheldwoord omdat het de meest voorkomende doodsoorzaak in Nederland is. ‘Tering’, ‘tyfus’ en ‘cholera’ (‘de Klere’) zijn al minder grof omdat er nog maar weinig mensen aan dood gaan. Een kreet als ‘fuck you’ lijkt verworden tot een soort ‘verdomme’ of ‘verdorie’; niet specifiek erop gericht om iemand te kwetsen. Alhoewel, in 2007 werd een verdachte eerst door de politierechter vrijgesproken voor een ‘fuck you’ tegen een politieagent, om vervolgens in hoger beroep te worden veroordeeld. Vooral ‘Fuck je moeder’ vond het hof een aantasting van de goede naam van de agent. Blijkbaar is ‘fuck you’ betrekkelijk onschuldig, maar wordt het wel grof als ‘je moeder’ erbij wordt gehaald.

Het oerscheldwoord is al sinds de Middeleeuwen ‘godverdomme’. Ondanks een aangenomen motie uit 2009 is de wet op smalende godslastering nog steeds van kracht. Die is overigens al jaren een dode letter. De Bond tegen het vloeken heeft in 1995 nog geprobeerd Theo van Gogh veroordeeld te krijgen omdat hij zogenaamde ‘Christenhonden’ voor ‘Supportersvereniging van die rotte vis van Nazareth’ had uitgemaakt. Tevergeefs.

Ook de poging van de Bond om de alternatieve krachtterm ‘rododendron’ te populariseren, is mislukt. Dat betekent niet dat het gros van de Nederlanders onverschillig staat tegenover het gebruik van ‘gvd’, integendeel. De meerderheid vindt het een schokkende en nare term. Maar juist daarom is het zo geschikt als vloek. ‘Rododendron’ is een waardeloos scheldwoord, omdat het naar geen enkel taboe verwijst. Als we boos zijn, willen we onze woede uiten door iets te zeggen waar we zelf eigenlijk ook van schrikken. Pas als ‘gvd’ een soort van ‘shit’ wordt, kunnen we spreken van echte secularisering.

Historisch onderzoek naar vroegere scheldculturen stuit op een aantal problemen. Het is onmogelijk om erachter te komen hoeveel er vroeger werd gescholden. De belangrijkste bron voor historici is namelijk het schrift. Ook vroeger werd er op papier beduidend minder gescholden dan in het leven van alledag.

Naarmate we verder teruggaan in de tijd wordt er überhaupt minder geschreven en krijgen de teksten een steeds religieuzer of in ieder geval serieuzer karakter. In de aantekeningen van Calvijn zullen we weinig krachttermen vinden. Toch zijn er een aantal bruikbare bronnen. De mooiste daarvan zijn de notulen van rechtszaken tegen vloekers.

Of er vroeger nu meer of minder werd gescholden – er werd in ieder geval meer over geprocedeerd. De rechtshistoricus Erik Jan Broers heeft onderzoek gedaan naar beledigingszaken voor de Staatse Raad van Brabant (1586-1795). Hij geeft het voorbeeld van een visverkoopster uit Breda. In 1678 werd Susanna Merler door haar collega’s Stijntje en Catherine Janssen voor ‘rotte vis’ uitgemaakt. Omdat Merler klanten zou oplichten door met de gewichten te knoeien, noemden de Janssens haar eveneens een ‘dikke hoer’. ‘Hoer’ was een erg populair scheldwoord in de zeventiende eeuw. Kuisheid was voor een zeventiende-eeuwse vrouw namelijk het hoogste goed. Beschuldigingen van onzedelijkheid zijn een interessante constante in de geschiedenis van het schelden op vrouwen.

De man van Merler, Anthonie Segers, liet het er niet bij zitten en daagde moeder en dochter Janssen voor de rechtbank. Mannen voelden zich ook slachtoffer van de bespotting van hun vrouw. Voor hun imago was het cruciaal om een zedelijke vrouw aan hun zijde te hebben. Daarom werd vaak de man (en soms ook de kinderen) als extra slachtoffer ten tonele gevoerd. Segers eiste dat de visvrouwen hun woorden zouden terugnemen en een boete van maar liefst 600 gulden zouden krijgen (naar huidige maatstaven is dat zo’n 14.000 euro). De advocaat van de Janssens beweerde echter dat een beetje gescheld bij het vak van visvrouw hoort, „want wiswijven ende diergelijcke personen sijn (...) van het geringhste slach van het volck”. Daar kon de rechtbank zich in vinden: de viswijven werden vrijgesproken.

Bij het beledigen van de man was het erg effectief om hem van klaploperij of een bankroet te beschuldigen. Werk ging in de negentiende eeuw een nog grotere rol spelen in erekwesties. Als een vrouw werkte dan betekende dat het einde van haar eer; voor een man was het werk juist de oorsprong van al zijn eer.

Een beledigingszaak voor de rechtbank was een kwestie van eerherstel. Als het tot een veroordeling kwam, dan waren daar tal van manieren voor: smeken om vergeving, een spijtbetuiging of het terugnemen van de gewraakte woorden. Soms werden er nog verdere eisen gesteld, bijvoorbeeld dat de schuldbetekenis met gevouwen handen, ontbloot hoofd of in een hemd moest worden uitgesproken. Het belangrijkste was de verklaring dat het beschimpte slachtoffer toch ‘een man van eer’ was.

Tegenwoordig wordt er relatief weinig geprocedeerd tegen schelders. De voorzitster van de Tweede Kamer lijkt het argument van de viswijven te hanteren: een beetje gescheld hoort er nu eenmaal bij. Ook het mislukte proces tegen Wilders laat zien dat we minder snel op onze teentjes zijn getrapt. Een traditionele eercultuur vinden we nog wel terug in mediterrane landen, bij straatjongeren en bij voetballers. Alleen in de tuchtspraak van de KNVB wordt er nog geprocedeerd tegen vloekers.

Lucky TV maakte onlangs een treffende montage van Wilders als Marokkaans straatschoffie. Evenals de voorman van de PVV hebben veel jongeren een kwetsbaar eergevoel. Door hun schaamtecultuur kunnen ze bij het minste of geringste ontbranden. In een samenleving die dure kleren, snelle auto’s en soepele praatjes voorschrijft, voelen de driftkikkers haarfijn aan dat ze eigenlijk aan de zijlijn staan. De onzekere jongeren missen erkenning, kaders en houvast; hun scheldkanonnades zijn daar het bewijs van.

Dat is misschien wel de essentie van het schelden: een vloek komt in wezen altijd voort uit onzekerheid. Als teken van onmacht en onbegrip biedt het de historicus een unieke spiegel van maatschappelijk onbehagen. Het is een kwestie van emotie; door te schelden laat je zien wat je echt belangrijk vindt. Laat dat nu net het probleem zijn van Job Cohen.

Hoewel er ongetwijfeld veel mensen zijn die zijn fatsoenlijke stijl kunnen waarderen, zijn er nog veel meer mensen die geen enkel gevoel hebben bij zijn kleurloze praatjes. Misschien is het dan toch zo dat, wat de Bond tegen het vloeken ook moge beweren, schelden wel degelijk helpt.