'Wetenschapper'

Dankzij de Kinderboekenweek kwam ik weer eens in aanraking met het kindergedicht, waarmee ik hier het door kinderen geschreven gedicht bedoel.

Had ik zelf eigenlijk ooit zo’n gedicht geschreven toen ik klein was? Ik kon het me niet herinneren. Mijn eerste, onuitwisbare contact met poëzie dateert pas van de middelbare school, toen ik Appelboompjes van Vasalis voor een volle klas uit het hoofd moest declameren.

Het ging goed tot ik in de tweede strofe de fatale fout maakte om met mijn handen de volgende regels te verzinnebeelden: staan twee jonge appelbomen,/ ’t witte bloed omhooggestegen. Ik maakte met beide handen naast elkaar een rijzende beweging, waar niets op tegen is, behalve als die handen van de zenuwen enigszins trillen. Daar weet zo’n volle schoolklas wel raad mee.

Al kort voor de Kinderboekenweek kreeg ik een gedicht toegezonden van een neefje uit Brabant, een jongen van tien en nu leerling van de achtste groep. Ik zal u niet te vaak lastig vallen met de gedichtjes van mijn neefjes en nichtjes, tenzij ze er de P.C. Hooftprijs mee winnen, maar voor dit gedicht wil ik graag een uitzondering maken.

Mijn neefje moest met andere leerlingen aan het einde van het vorige schooljaar een gedicht over zijn toekomstplannen maken. Hij had nooit eerder gedicht en schreef toen het gedicht Wetenschapper.

Wat ik ook ga uitvinden, het wordt echt geniaal./ Wat ik ook ga ontdekken, het wordt echt ideaal./ Ik ga geen brood bakken en scheer geen mannen kaal./ En ik bak in een restaurant geen avondmaal./ Uitvindingen doen, ontdekkingen doen,/ Vind ik nooit zwaar werk, dat ik een geboren/ Wetenschapper ben, is wat ik nu al merk!

Kijk, dat noem ik poëzie, vooral die tweede regel: „Ik ga geen brood bakken en scheer geen mannen kaal”. Die zou van Elsschot kunnen zijn. Het is voor mij een mysterie hoe een kind zonder enige schrijfervaring op zo’n treffende regel kan komen. Talent of toeval?

Verder trof me het zelfvertrouwen dat uit het gedicht spreekt. Hier is een kind aan het woord dat in zijn kwaliteiten gelooft en naar ontplooiing ervan hunkert. Ik zie het niet als een teken van onbescheidenheid, daarvoor is zo’n jongen nog te argeloos.

In deze Kinderboekenweek stuitte ik op het alleraardigste boekje De zon schijnt streepjes, ook gevuld met gedichten van kinderen en uitgegeven door het Poëziepaleis. Het gedicht van mijn neefje had er niet in misstaan, zeg ik met familietrots, maar ik moet er meteen aan toevoegen dat de bundel veel geslaagde gedichten bevat. Technisch mankeert er uiteraard veel aan, maar de speelsheid en het verwoorde levensgevoel frapperen vaak.

Als voorbeelden heb ik drie gedichten gekozen. Ik begin met het kortste, van de 8-jarige Ilse Bruggeman: Zoals een mens hoort bij een dier/ hoort mijn vader bij het bier.

En dit dichtte de 9-jarige Floortje Derckx onder de titel Eén fout: Ik heb dyslexie/ Ik vind het heel vervelend/ Want ik heb/ Wel een en een half jaar geoefent/ dat voelt heel lang want/ ik moest wel drei keer/ Egt drei keer per week/ Hiuswerk maaken! Hiuswerk maaken!/ Maar/ Het heeft wel geholpen/ Wand ik hat één/ Egt één/ Fuot bij spelling.

Ik eindig ernstiger, met Vrede van de 10-jarige Melissa Bakkum. Vrede is/ speelgoed hebben/ spelen met vrienden/ pret maken/ dan kun je vrede horen/ vrede is/ als mijn moeder/ mijn lievelingseten op tafel zet/ dan kun je vrede ruiken/ vrede is de geur van/ wat ik lekker vind.