Slowakije is maar één obstakel euro

Het voorlopige Slowaakse ‘nee’ tegen een versterkt euro-reddingsfonds vergroot de angst dat nationale parlementen de eurozone zullen ondermijnen.

Financiële analisten die hun klanten adviseren over de eurocrisis, moesten zich de afgelopen dagen met spoed ontwikkelen tot Slowakije-kenner. Niet omdat het kleine Midden-Europese land geldt als schuldenstaat, maar omdat het een volwaardige medebestuurder is van de eurozone – en een belangrijk politiek risico vormt.

Gisteren stemde het Slowaakse parlement tegen versterking van het reddingsfonds voor eurolanden (EFSF). De centrum-rechtse Slowaakse regering viel over de kwestie. De financiële markten reageerden nauwelijks op het politieke drama in Bratislava, omdat een tweede geplande stemming, mogelijk nog deze week, naar verwachting alsnog een ‘ja’ zal opleveren.

Maar al langer groeit onder beleggers en in Brussel de angst dat één van de nationale parlementen in de eurozone op een dag voor grote problemen zal zorgen.

Het Verdrag van Lissabon, dat eind 2009 in werking trad, beperkt het aantal terreinen waarover landen een veto kunnen uitspreken. Na de uitbreiding van de Unie nam het risico toe dat afzonderlijke landen compromissen zouden tegenhouden.

Maar voor cruciale besluiten in de eurozone, zoals over het EFSF, is nog goedkeuring van alle nationale parlementen vereist. De monetaire unie bestaat inmiddels uit 17 landen, na toetreding van Slovenië (2007),Cyprus en Malta (2008), Slowakije (2009) en Estland (2011). Verdere uitbreiding staat op de agenda.

De Slowaakse afwijzing staat niet op zichzelf. Door de eurocrisis is ‘Europa’ in verscheidene landen een overheersend politiek thema geworden. Parlementaire steun voor reddingspakketten is uiterst wankel.

In Nederland is het kabinet bij eurobesluiten afhankelijk van steun van de linkse oppositie. In Duitsland kreeg de Bondsdag vorige maand, na een uitspraak van het Constitutionele Hof, alleen maar meer zeggenschap over de euro. En de Finse regering zorgde onlangs, onder druk van één van de coalitiepartijen, voor problemen door een onderpand te eisen voor leningen aan Griekenland.

Het perspectief van verlamming van de eurozone is voor José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, reden om verdere beperking van de unanimiteitsregel te bepleiten. In zijn jaarlijkse Staat van de Unie-rede vorige maand zei Barroso dat de „langzaamste lidstaat” niet het tempo van de hele Unie mag „dicteren”. Lidstaten hebben „nationale soevereiniteit” om besluiten af te wijzen, maar ze mogen die besluiten niet eenzijdig „blokkeren”.

Maar Barroso’s voorstel vergt een verdragswijziging waarvoor weer toestemming nodig is van álle lidstaten. En juist bij begrotingszaken zijn landen uitzonderlijk gesteld op het eigen veto. Op een nieuwe, slopende ronde onderhandelingen hierover zit niemand vooralsnog te wachten.

Op korte termijn doen andere ideeën de ronde om besluiten over de euro minder afhankelijk te maken van nationale deelbelangen.

Eén optie is om reddingsacties alleen te laten uitvoeren door de eurolanden die dat willen. Slowakije, dat een relatief kleine bijdrage levert aan het versterkte EFSF, hoeft in dat geval het hele besluit niet te blokkeren. Maar de vrees bestaat dat dan ook andere eurolanden in de verleiding zullen komen om niet mee te betalen.

Een andere mogelijkheid is om bestaande instrumenten als het EFSF door technische ingrepen meer armslag te geven. Het EFSF kan van een noodfonds worden uitgebouwd tot een bank, die zelf geld kan lenen. Mocht er meer geld nodig zijn om zwakke eurolanden te redden, dan voert de weg langs private geldschieters. En niet langer langs 17 dwarse nationale parlementen.

Slowaakse crisis: pagina 8

Trojka in Griekenland: pagina 22