‘AOW-plan kabinet biedt schijnzekerheid en is niet urgent’

De Raad van State is kritisch over de wetsvoorstellen rond de verhoging van de AOW-leeftijd naar 66 jaar. De verhoging wordt volgens het hoogste adviesorgaan “ondergraven door het flankerend beleid”. Het kabinet heeft de wetsvoorstellen vanmiddag naar de Tweede Kamer verstuurd, meldt persbureau Novum.

In de wetsvoorstellen, die een uitwerking zijn van het pensioenakkoord tussen de sociale partners van begin juni, wordt de AOW-leeftijd in 2020 verhoogd naar 66 jaar. Daarna wordt deze automatisch verder verhoogd, afhankelijk van de levensverwachting.

‘Voorstel leidt niet tot hogere arbeidsparticipatie ouderen’

De Raad van State is blij met dit automatische karakter van de verhoging. Andere onderdelen van de kabinetsvoorstellen doen het positieve effect echter weer teniet, stelt het adviesorgaan. Zo hebben de vakbonden bedongen dat ouderen toch nog eerder met pensioen kunnen gaan, zonder financiële consequenties. Het doel van de maatregel, het verhogen van de arbeidsparticipatie van ouderen met het oog op de vergrijzing, verdwijnt hiermee uit zicht.

Het tijdpad waarvoor het kabinet heeft gekozen, verhoging per 2020, doet daarnaast volgens de Raad van State geen recht aan de ‘urgentie van de problematiek waarvoor het wetsvoorstel een oplossing beoogt te bieden’. Het hoogste gerechtelijke orgaan zet ook vraagtekens bij de verdeling van de lasten en lusten tussen jong en oud.

‘AOW-plan biedt schijnzekerheid’

De jaarlijkse verhoging van de AOW-uitkering tot 2028 is volgens de raad een ‘schijnzekerheid’. In het wetsvoorstel wordt de uitkering gekoppeld aan de loonsverhogingen, plus een jaarlijkse verhoging van 0,6 procent. Volgens de raad staat dit ‘op gespannen voet met het jaarlijkse begrotingsproces’.

Het advies van de Raad van State is niet bindend. Het kabinet houdt vast aan zijn plannen. Wel wordt mede door het Centraal Planbureau nog onderzoek gedaan naar de effecten voor de verschillende generaties.