Kind zoekt vader

In bijna de helft van de films op Cinekid draait het om afwezige vaders. Kinderangsten worden niet weggemoffeld tijdens het in zijn voortbestaan bedreigde festival.

scene uit de film Patatje Oorlog (2011) FOTO: A-Film

Hoe groot is eigenlijk de kans dat je een dode muis, een dode hond én een dode vader hebt? Niet zo heel erg groot toch?

Na het vertrek van haar vader, die eerstehulparts is, op een oorlogsmissie in Afghanistan, maakt de negenjarige Kiek zich grote zorgen dat hij niet heelhuids terug zal komen. Maar hoe realistisch is de gedachte dat hij een verdwaalde kogel tegenkomt? Kieks moeder en de meester op school houden er allebei zo hun eigen sommetjes op na om haar voor te rekenen hoe dat in elkaar zit. Volgens haar moeder is de kans klein. Net zo klein als de kans om de loterij te winnen. Want hoeveel miljonairs kent ze eigenlijk? Toch net zo weinig als kinderen met dode vaders? Nou dan.

Volgens de meester kun je dingen doen om je kansen te vergroten of te verkleinen. Zoals twee loten kopen. Waarop Kiek besluit dat de kans dat je én een dode muis, én een dode hond én een dode vader hebt, tamelijk klein is. En dan zet ze alles op alles om aan een dode muis en een dode hond te komen.

In Patatje Oorlog van Nicole van Kilsdonk, gebaseerd op het kinderboek Een kleine kans van Marjolein Hof, spelen al te herkenbare kinderangsten de hoofdrol en ze worden niet weggemoffeld. Sterker nog, ze komen ten dele uit. Als Kieks vader een paar dagen na zijn vertrek vermist raakt, zien we Kiek en haar moeder en grootmoeder langzamerhand imploderen van ellende. Het is te danken aan het bizarre uitgangspunt van de film en de vrolijke animaties waarin papa Thomas toch steeds weer tot leven komt, die regisseur Nicole van Kilsdonk er doorheen strooide, dat Patatje Oorlog optimistisch van toon blijft.

Om afwezige vaders draait het dit jaar in bijna de helft van alle films in competitie op Cinekid, het festival dat in zijn voortbestaan wordt bedreigd omdat de rijkssubsidie is geschrapt. In de betere kinderfilm zijn ouders sowieso vaak naar de achtergrond geschoven, en kiest de maker voor het perspectief van het kind. Bovendien is het de oudste kinderdroom/nachtmerrie om helemaal ‘alleen op de wereld’ te zijn, en dat scenario wordt in veel jeugdfilms en -literatuur uitgetest: van het kind dat zich doodstil op zolder verstopt en zich trillend van angst afvraagt of ze hem überhaupt wel zullen missen tot het sentiment van het weeskind dat we allemaal wel hadden kunnen zijn. Althans volgens de berekeningen van Kiek uit Patatje Oorlog.

Dat is bijvoorbeeld ook het uitgangspunt van de intrigerende Frans-Belgische film A pas de loup (‘Een weekje weg’), waarin de zesjarige Cathy het gevoel heeft voortdurend door haar ouders over het hoofd te worden gezien en tijdens een weekendje in hun buitenhuisje besluit weg te lopen. Bijzonder van de film is dat hij radicaal partij voor het kind kiest: haar gedachten, verteld in voice-over, zijn de enige tekst in de film.

Toch doen de Cinekid-films dit jaar iets meer dan het kind van de volwassen-wereld isoleren. Ze thematiseren ook het verschijnsel van de afwezige ouder nadrukkelijk. Patatje Oorlog gaat niet over hoe Kiek en haar moeder het zonder vader proberen te redden, maar in elke scène gaat het erom dat die vader er niet is. Iets vergelijkbaars gebeurt bijvoorbeeld ook in het Ierse Runway, waarin de absente vader de reden is dat hoofdpersoon Paco Spaans heeft geleerd, en dus de enige in het dorp is die met de neergestorte Colombiaanse piloot Ernesto kan communiceren. In het Spaanse waargebeurde Entrelobos kan de kleine Marcos helemaal niet zonder vader. Als die slappe zak van een natuurlijke vader hem op aandringen van de klassiek hekserige boze stiefmoeder aflevert bij landeigenaar Don Honesto, vindt Marcos eerst in geitenhoeder Atanasio een surrogaatvader die hem alles leert over hoe hij in de wildernis moet overleven. En na Atanasio’s dood neemt de wolf Lobito, met wie Marcos als klein jongetje is opgegroeid, het als een oudere broer over. Jongetjes – meisjes ook natuurlijk, maar het zijn nu eenmaal meestal jongetjes om wie het in deze verhalen draait – hebben vaders nodig, lijken deze films te willen beweren. Zelfs in sinterklaasfilm Bennie Stout is de plot gecentreerd rondom het feit dat Bennies vader misschien wel niet op tijd voor pakjesavond thuis kan zijn. En als er geen vaders voorhanden zijn, dan maar neergestorte piloten, geitenherders of eventueel Sinterklaas zelf.

Hoe anders is dat bij het merendeel van de hedendaagse Nederlandse kinderfilm. Daarin zijn de vaders en mannelijke rolpatronen bij voorkeur ouderwetse helden. De subversieve, antiautoritaire geest van Annie M.G. Schmidt is ver weg. Misschien dat Mijnheer Pen nog het dichtste in de buurt van een soort wijze oom kwam, maar verder redde Pluk van de Petteflet het toch lekker zelf?

Veelzeggend in dat kader zijn de titels van twee van de belangrijkste kinderfilms van het afgelopen jaar: Mijn opa de bankrover en Mijn vader is een detective. Met dat gegeven speelt ook De sterkste man van Nederland van Mark de Cloe, waarin de twaalfjarige Luuk op zoek gaat naar zijn vader. Hij denkt dat het de sterkste man van Nederland moet zijn. Stoer. Een cowboy. Een ster. En zelfs als hij erachter komt dat zijn biologische vader niet zo interessant en heldhaftig is als hij had gehoopt, heeft hij ondertussen toch de best mogelijke vader gevonden.

Misschien dat al die Cinekid-films je laten nadenken over het feit dat bloedbanden niet zo zwaar wegen, maar ze pleiten wel voor vaders, al zijn het maar ex-Joegoslavische voetballers, stuiterende animaties of desnoods wolven.

Het Cinekid Festival vindt plaats van 12 t/m 21 oktober in Amsterdam en 30 anders steden. Voor meer informatie cinekid.nl