Ieder pondje gaat door het mondje

Het gaat niet goed met onze voeding. Niet in Nederland, waar opnieuw blijkt uit een peiling dat wij de schijf van vijf maar niet willen volgen en kinderen groenten vies blijven vinden. Elders gaat het evenmin goed, zelfs niet in de landen aan de Middellandse zee met hun beroemde gezonde dieet, en natuurlijk niet in de VS dat symbool staat voor vet en onmatig. In de opkomende economieën en in arme landen neemt de middenklasse steeds meer het Amerikaanse patroon over. Onze wereld lijdt onder de dubbele last van ondervoeding en overvoeding: tegenwoordig overtreft het aantal overvoede mensen het aantal hongerige.

Onze collectieve overvloed is een unieke, zeer recente ontwikkeling in de menselijke evolutie. Nooit eerder is zoveel, zo divers en gezond voedsel beschikbaar geweest voor zulke lage prijzen voor zoveel mensen. De sterk fluctuerende voedselprijzen doen daar niets aan af, voedsel is ook op het hoogste prijsniveau nog steeds relatief goedkoop – behalve voor de allerarmsten die soms 60 procent van hun inkomen aan voedsel uitgeven. In rijke landen wordt de consumptie door niets meer beperkt, niet door geld, niet door schaarste, niet door openingstijden of afstand. Onbeperkt en mateloos kunnen eten. Dat is de verleiding die achter de ‘obesitasepidemie’ ligt.

Maar het woord obesitasepidemie is in zijn simpelheid misleidend. We hebben niet te maken met een besmettelijke ziekte die ons overkomt, zoals builenpest of SARS, het gaat om individuele beslissingen van eters. Ieder pondje gaat door het mondje. Het enige besmettelijke zit in het (onbewust) kopiëren van gedrag van ouders of leeftijdsgenoten en de invloed van reclame. Het probleem van slechte voeding is veel meer dan overgewicht en obesitas (=ziekelijk overgewicht), hoewel het daar vaak mee wordt gelijkgesteld. Dunne mensen kunnen ook een ongezonde vet- en vitaminenbalans hebben, en een beetje dikke mensen kunnen goed gezond zijn. Het demoniseren van vet als een dreigend virus helpt individuen niet hun voeding te verbeteren. Dat er aan overgewicht en ongezond eten risico’s verbonden zijn, kan ook iemand met het voedingskundige inzicht van een benzinepompbediende zich voorstellen.

Het woord epidemie suggereert namelijk dat je met een paar maatregelen uit de brand bent, in de trant van handen wassen, vaccineren of een mondkapje. Maar slechte voeding en overgewicht in de wereld van vandaag zijn hardnekkige en ingewikkelde problemen die raken aan onze levenswijze, onze economie en de rol van de staat. Ten onrechte wordt gedacht dat het duurder maken van ‘ongezonde producten’ leidt tot een verbetering in voedingsgewoonten. Wat echt ongezond is, zoals transvetten, moet worden verboden. Maar verder is niet duidelijk hoe belasting werkt: op basis van vetgehalte of type vet? Worden doorregen riblapjes duurder dan biefstuk? Niemand denkt toch serieus dat een hogere prijs van boter of margarine leidt tot dunner smeren? En hoe zit het dan met suiker dat evenzeer bijdraagt aan ongezond overgewicht? Uit onderzoek blijkt dat lagere inkomensgroepen juist dure gemaksproducten kopen, meer dan goedkope groentes, en niet erg op de prijs letten.

Denemarken en Hongarije hebben onlangs een vettaks ingevoerd. In Denemarken komt dat neer op iets meer dan 2 euro per kilo vet. Dat zet nog eens zoden aan de dijk! In Hongarije worden ook zoute chips en frisdrank belast, maar weer niet de beroemde worst. Vettaks om de nationale schatkist te spekken, tja.

De denkfout bij de vettaks is dat individuele voedingsmiddelen en ingrediënten de schuldigen zijn. Voeding is nooit eenduidig. Een hamburger op zijn tijd is niet dodelijk of verslavend (in tegenstelling tot sigaretten), het gaat om het totale voedingspatroon en het leefpatroon. De mens is evolutionair aangepast aan schaarste, niet aan overvloed. Anders gezegd, het zal tijd kosten voordat wij een werkelijke gedragsverandering en bijbehorende normen en waarden bereiken. Daarbij is een vettaks een veel te grof en waarschijnlijk marginaal instrument, waarmee we niet achteloos moeten experimenteren.

Ongezonde voeding raakt aan alles. Land- en tuinbouw, inclusief landbouwsubsidies (op maïs in de VS bijvoorbeeld, de grondstof van goedkope suikerstroop), verwerkende industrie, internationale handel, distributie, scholen, ouders, reclame, wetten en belastingen – alles moet via nieuwe afspraken op elkaar afgestemd worden. Boer en supermarkt zijn makkelijker te sturen dan het gedrag van de consument. Verkoop je kleinere porties, dan neemt de consument er twee. Maak je het eten minder vet of zout, dan voegt de consument dat zelf toe, of koopt een concurrerend product. Consumenten reageren zeer beperkt op informatie en prijs, omdat emoties sterker zijn dan de ratio.

Maar tenzij we willen overgaan naar een politiestaat met een controlerende camera in iedere keuken en een chip op de ijskastdeur, moeten we het hebben van een langzame bewustwording gekoppeld aan convenanten tussen industrie en overheid.