Het land kan niet zonder Donner, denkt Donner

Minister Piet Hein Donner staat in een traditie van familieleden met gewichtige bestuurlijke functies. Dat begon al in 1787.

Als minister Piet Hein Donner tijdens een debat de nadruk op een woord legt, maakt hij een klein hupje.

Gisteravond deed hij dat soms wel een paar keer per zin. Misschien is dat omdat hij lange zinnen maakt: „De Hoge Raad relateert op geen énkele (hup) wijze aan een of ander bestaand algemeen rechtsbeginsel (hup) dat bepaalt dat de eventuele algemene kosten die de overheid maakt voor burgers, ook uit algemene míddelen (hup) betaald zouden moeten worden.”

Ook gisteravond weer toonde minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) zich in zijn element. Met verve verdedigde hij zijn spoedwet over de betaling van de identiteitskaart in de Eerste Kamer. Na urenlang debat stemde de senaat ermee in om burgers weer te laten betalen voor de ID-kaart. Doorslaggevend was de stem van SGP-senator Gerrit Holdijk. Daar was nog gedoe over: ambtenaren zouden Holdijk vooraf gepolst hebben, of hij misschien vragen had waar de minister in het debat aan tegemoet kon komen. Donner wist van niets, zei hij, zonder met zijn ogen te knipperen.

En zoals vaker strooide de minister met verwijzingen naar artikelen in de grondwet, wettelijke grondbeginselen, grondslagen en al dan niet wetstechnische reparaties. De oppositie vond dan ook dat de avond op Donneriaanse wijze verliep; die typering gebruikte D66-senator Thom de Graaf gisteren. „De minister mag welsprekend zijn, hij geeft geen antwoord op mijn vraag.” Waarop Donner in ongeveer dezelfde bewoordingen herhaalde wat hij al had gezegd, en De Graaf hoofdschuddend terug naar zijn plaats liep.

Het kabinet-Rutte is formeel het vijfde kabinet op rij waarin minister Donner – deze maand wordt hij 63 – zitting heeft. En hij zal de rit niet uitzitten als hij, zoals het hardnekkige gerucht gaat, naar de Raad van State vertrekt om vicepresident Herman Tjeenk Willink op te volgen. Onder zijn partijgenoot Balkenende bemande Piet Hein Donner sinds juli 2002 Justitie. In 2007 stapte hij over naar het ministerie van Sociale Zaken, nu doet hij Binnenlandse Zaken.

Het verbaast bijvoorbeeld André Rouvoet helemaal niet dat Donner vorig jaar opnieuw als minister aan de slag ging, dit keer niet onder Balkenende maar in het minderheidskabinet van premier Rutte. Rouvoet, voormalig voorman van de ChristenUnie, werkte met hem samen in het kabinet Balkenende-IV. „Het land moet toch geregeerd worden”, zei Donner altijd. Die redeneertrant vond Rouvoet typisch voor Donner. „Het CDA in de oppositie of de PVV in de oppositie waren volgens Donner geen van beide erg aanlokkelijke alternatieven”, analyseert Rouvoet. „Van een oppositierol zou de PVV electoraal al helemaal profiteren. Dus dacht Donner ongeveer zoals oud-minister Jan de Koning: Als het niet kén zoals het mot, dan mot het maar zoals het kén.”

Donner hecht ook aan de gouvernementele traditie van de christen-democraten, zegt Rouvoet. Dat is niet alleen een kwestie van plakken aan het pluche, zegt hij. „Mensen als Donner kunnen zich domweg niet voorstellen dat het land zonder CDA wordt geregeerd. De paarse jaren vonden ze wat dat betreft wonderlijke jaren. Nederland heeft het CDA nodig, en het CDA Nederland, zo denken mensen als Donner.”

Niet alleen de trouw aan zijn partij speelt mee, zeggen mensen die met de minister hebben gewerkt. Donner hecht ook aan zijn eigen plek binnen een regering. „Hij vindt het heel belangrijk dat degelijke mensen het land besturen”, zegt Jetta Klijnsma. Zij is nu Kamerlid voor de PvdA, maar werkte als staatssecretaris met Donner samen op Sociale Zaken, in de tijd dat het kabinet Balkenende-IV een akkoord moest sluiten om de economische crisis te bestrijden. „Hij wil graag een rol spelen. Het ministerschap zélf is belangrijk voor hem.”

Donner kwam in Klijnsma’s tijd geregeld met aanpassingen van wetten die zijn grootvader nog had opgesteld. „Die ga ík nu up-to-date maken, zei hij dan. Vol warmte en enthousiasme vertelde hij over zijn illustere voorvaderen.” De geschiedenis van de Donners, vaak juristen, gaat terug tot in de achttiende eeuw. Zo verijdelde een van zijn voorouders in 1787 een patriottische aanslag op het paleis van stadhouder prins Willem V. Daarbij ving hij, naar verluidt, met zijn verhemelte een kogel op. Als dank schonk prins Willem aan deze vroege Donner twee gouden implantaten.

Die familieachtergrond heeft Donner altijd belangrijk gevonden. Wim Derksen, hoogleraar bestuurskunde, werkte met Donner toen die voorzitter van de Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid was, midden jaren negentig. „Door de rijke Donner-traditie straalt Piet Hein tegenover zijn collega’s iets uit van: ‘Wij waren er allemaal eerder dan jullie.’”

Zelfs bij de WRR, waar Donner als voorzitter de enige niet-hoogleraar was, had hij geen zichtbare moeite met die handicap , zegt Derksen. „De hoogleraarstitel van zijn vader compenseerde dat tekort schijnbaar geheel.” Piet Hein Donner is een beter politicus dan jurist, zegt Derksen nu. „Ik werd op de universiteit waar ik werkte weleens aangesproken op het soms twijfelachtige juridische gehalte van zijn werk. Dat precieze, afgemeten, juridische redeneren heeft hij niet. Dat moeten ze ook bij de Raad van State hebben gemerkt, toen Donner daar staatsraad was.”

Invloed uitoefenen, daar ging én gaat het bij Donner om. Zowel voor als achter de schermen. Vorig jaar was Donner als politiek onderhandelaar betrokken bij de totstandkoming van het huidige kabinet. Daarbij leed Donners imago als inhoudelijke, welbespraakte bestuurder schade. Hij zou de CDA-Kamerleden Ab Klink, Kathleen Ferrier en Ad Koppejan onder druk hebben gezet om schriftelijk te verklaren dat ze zich zouden conformeren aan de uitkomst van het CDA-congres. Dat congres zou bepalen of samenwerking met de PVV zou doorgaan. Donner viel toen door de mand, zeggen betrokkenen. „Niet grondwettelijk, zoals Donner zich opstelde. Hoe kun je je voor zoiets laten lenen?” Kamerleden mogen volgens de grondwet zonder last stemmen – zo’n verklaring zou daarmee in strijd zijn geweest.

Als Donner om een politieke boodschap wordt gestuurd, dan doet hij er alles aan om die binnen te halen. Of zoals PvdA’er Klijnsma zegt: „Hij is pragmatisch. Voor sommige dingen staat hij enorm, die vindt hij persoonlijk belangrijk. Van andere zaken weet hij: dit is nu eenmaal wat we hebben afgesproken. En als hij zo’n onderwerp moet verdedigen, zal hij ook al het mogelijke bedenken om dat te doen.”

Ondanks zijn volharding heeft Donner als minister ook geregeld moeten toegeven op voor hem principiële punten. Een dieptepunt was zijn aftreden als minister van Justitie toen elf asielzoekers overleden na een brand in een cellencomplex op Schiphol. Dat was een vreselijke tijd voor hem, zegt hoogleraar Derksen: „Hij was er niet meer bij, deed even niet meer mee. En dat voor iemand uit de Donner-traditie.”

In het volgende kabinet-Balkenende ging Donner vanwege dit incident niet meer bij Justitie, maar als minister van Sociale Zaken aan de slag. Daar was het zijn missie om het ontslagrecht te hervormen. Donner wilde het werkgevers mogelijk maken om hun personeel zonder tussenkomst van de rechter te ontslaan – maar het lukte hem niet de PvdA daarvan te overtuigen. En dat ondanks, of misschien juist wel mede door Donners geheel eigen wijze van onderhandelen. André Rouvoet: „Ieder ander politicus zet een tijdje hoog in om daarna te proberen tot een vergelijk te komen. Niets van dat alles bij Piet Hein. Die levert zonder blikken of blozen tijdens onderhandelingen vier keer dezelfde tekst in, zonder een millimeter toe te geven.”

Rouvoet heeft van een andere CDA’er moeten leren hoe hij met de halsstarrigheid van Donner om moest gaan. „Die adviseerde: je moet recht tegenover hem gaan zitten, hem diep in de ogen kijken, en duidelijk en langzaam tegen hem zeggen: Piet Hein, zo gaan we het dus echt niet doen. Dat hielp inderdaad. Nou ja, een beetje.”

Gisteravond liet minister Donner opnieuw zijn uithoudingsvermogen zien: hij herhaalde de argumenten vóór zijn spoedwet zeker een keer of acht, bijna elke keer even opgewekt van toon. Toch is het heilige vuur er een beetje uit bij hem, zeggen mensen die met hem werken. Misschien ook logisch, zeggen ze erbij, na al die jaren ministerschap. Daarbij ligt zijn hart nog steeds bij Justitie, en niet bij Binnenlandse Zaken, waar Donner nu thema’s als wonen, openbaar bestuur en integratie onder zijn hoede heeft en weinig daadkrachtig overkomt.

Waarom ging Donner dan tóch dit kabinet in als minister van Binnenlandse Zaken, zeker met die vacature bij de Raad van State in het verschiet? Dat is nou typische Donner-logica, zegt hoogleraar Wim Derksen. „Hij heeft van te voren bedacht dat het veel beter was om maar vast in het kabinet te gaan zitten als deze vacature voorbijkomt. ‘Dan ben ik er tenminste bij’, was zijn insteek.”