Gered door een schaap in wolfskleren

Doen Europese politici bij het bevechten van de eurocrisis wat we denken dat ze doen? Maandag werd de Nobelprijs voor de Economie uitgereikt aan Thomas Sargent en Christopher Sims. Die hielden, en houden, zich allebei bezig met macro-economisch beleid, de gevolgen, de verwachtingen van het publiek en de terugkoppeling van een en ander.

Een van de belangrijkste vragen daarbij is hoe de causaliteit loopt. Van beleid naar uitkomst, zoals ambtenaren en technocraten dat in hun ideale wereld graag veronderstellen. Of min of meer andersom: het idee bij het publiek dat het beleid een bepaalde richting in gaat, is al voldoende om het te bewerkstelligen of ontkrachten.

Rationale verwachtingen zijn sinds hun doorbraak in de jaren zeventig, waar Sargent een behoorlijke rol in had, een van de fundamenten van het economische (en monetaire beleid). Voorbeeld: een regering verlaagt de belastingen om zo de bestedingen van het publiek op te jagen. Maar als datzelfde publiek verwacht dat de overheid zich dat eigenlijk niet kan permitteren, dan houdt het de hand op de knip, in afwachting van de bezuinigingen of lastenverhogingen die later onvermijdelijk het gevolg kunnen zijn van die allereerste beleidsdaad.

Rationale verwachtingen kloppen lang niet altijd: kijk maar naar de barsten die de dotcom- en kredietcrisis inmiddels hebben geslagen in de efficiënte-markthypothese (waarvoor Harry Markowitz in 1990 de Nobelprijs kreeg). De zaak ligt in de regel veel subtieler, en juist Sargent zelf bleef schaven aan zijn eigen theorie. Want mensen en bedrijven gedragen zich niet mechanisch en voorspelbaar.

Niet voor niets regende het de afgelopen tien jaar juist prijzen voor gedragseconomen die juist de rol van de mens en zijn eigenaardigheden, al dan niet in groepsverband, benadrukken.

Maar goed, bij het handelen naar rationele verwachtingen gaat het er in veel gevallen kennelijk niet om wat beleidsmakers doen, maar wat het publiek denkt dat ze doen. Daar zouden we in Nederland best wel eens een goed voorbeeld van kunnen hebben: minister De Jager van Financiën.

Wie naar De Jager luistert, kan niet anders concluderen dan dat hij zich onbuigzaam en recht in de leer opstelt in het eurodebat. Dat is ook de perceptie van het publiek, dat in meerderheid tegen redding van de Grieken is. De Jager is dan ook de populairste minister van het kabinet met een, volgens onderzoeksbureau Synovate, cijfer van 6,3 in september (al was dat 7,1 begin dit jaar). Hoewel ministers van Financiën het nooit slecht doen, vanwege hun imago van prudente schatkistbewaarder, is dit cijfer naar verhouding hoog.

Tegelijkertijd werkt Nederland in de praktijk constructief mee aan een oplossing van de eurocrisis. Zo zijn De Jager en premier Rutte inmiddels de geestelijke vaders van een aparte eurocommissaris voor het afdwingen van begrotingsdiscipline. Dat is een maatregel die sterk federaal van karakter is, die juist lijkt te botsen met de gepercipieerde harde lijn van euroscepsis.

Wat zouden Sargent en Sims hier van maken? Dat verwachtingsmanagement mag afwijken van het daadwerkelijk gevoerde beleid, waardoor toch een optimale uitkomst verkregen wordt? En blijkt de euro dan straks te zijn gered door het openlijk beleden verzet tegen een oplossing? Een schaap in wolfskleren. Dat zou pas Nobel-waardig zijn – mits iemand het van te voren zo had bedacht.

Maarten Schinkel