Een roze, dunsatijnen jasje

Hoe je in vierentwintig uur kan veranderen van voorlezend columnist in delinquent: een bekentenis.

Het was vrijdag en de Jonge Schrijversavond was net afgelopen. Ik had mogen voorlezen in de grote zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam; een vooruitzicht waarvan mijn speekselproductie de hele dag had stilgelegen. Toch was het wonderbaarlijk goed gekomen: ik was niet gevallen en de diepste angst – een zaal zo stil als een verlaten stadje waar tumbleweeds doorheen rollen – was ongegrond gebleken. De opluchting was zo groot dat ik alleen maar dacht aan vieren, en dat kon: terwijl het feest aanving in de rotonde van de Schouwburg kregen alle sprekers een fles champagne. Waarna er wijn was. En bier. En iemand achter een tafelpoot nog een magnumfles vond. Inmiddels was ik in een staat dat ik alles dacht te begrijpen van de Dexia-crisis en ook vriendschap probeerde te sluiten met een schilderij. Toen iemand voorstelde om onze spullen uit de artiestenkleedkamer te gaan halen omdat het feest ten einde liep, voelde het als een safari.

Met een klein groepje liepen we door het kronkelende gangenstelsel van het gebouw en pakten onze spullen. De terugtocht voerde echter langs het stille, donkere podium van de grote zaal. Het was zo mooi en vreemd en surrealistisch dat we daar waren, dat het plots een goed idee leek om even op het podium te gaan liggen.

Er was een Nokia Flashlight, waarmee we de kroonluchter en het plafond bekeken. Mensen liepen weg en kwamen terug, er werden grapjes gemaakt – en opeens had iemand een roze, dunsatijnen jasje aan. Daarna lag het jasje bij mij en het rook lekkerder dan honderd Robijnbeertjes bij elkaar. Ik paste het even aan.

Toen we uiteindelijk gesnapt werden, trok ik mijn eigen jas aan en vertrok – helemaal vergetend dat ik het jasje nog droeg.

De volgende dag werd ik verkreukeld wakker, waarna ik zag dat er in de woonkamer een roze jasje lag. O jezus, dacht ik. Het jasje. Dit is niet mijn jasje. Ik heb een vreemd roze jasje in huis.

En het komt uit de Schouwburg.

Langzaam groeide het gruwelijke besef: dit is waarschijnlijk niet zomaar ergens gevonden. Dit is van iemand die hiermee het podium op moet. Vanavond. Steeds zag ik voor me hoe er die avond iemand verwilderd en halfnaakt uit de coulissen tevoorschijn zou komen, omdat er plotseling een roze jasje miste.

Met in mijn hand een tasje met het jasje fietste ik naar de Schouwburg. Ik geloof niet dat ik me ooit eerder zo heb geschaamd – ik voelde me de raarste dievegge ooit, alsof ik als een kattenvrouwtje op een huisfeest zonder nadenken een schemerlamp in mijn tas had gestopt.

Het jasje bleek inderdaad bij een toneelstuk te horen – Alma van De Warme Winkel. Met diepgemeende excuses bood ik het jasje en een bos bloemen aan.

Later zag ik dat er op hun site een speciale rubriek staat. Hij heet ‘Adopteer een Rekwisiet’. Dat moest ik maar eens gaan doen – op de legale manier.

Renske de Greef