Dwaze liefde voor het voetbal

De beste voetbalfilms gaan niet over voetbal. Tegen het echte spel kan toch geen fictie op. Maar filmhelden moeten wel bezeten zijn van het edele spel.

scene uit de film Bend It Like Beckham (2003) FOTO: A-Film Parminder Nagra

De statistiek is niet hoopgevend. In het voorfilmpje van All Stars 2. Old Stars zit nog een handvol schoten op doel (2 naast en over, 3 tegengoals), maar daarna wordt er amper nog een bal geraakt door de Swift Boys. Twee wedstrijden bevat de film. Eerst een uitwedstrijd op een Duitse naaktcamping (altijd lastig). De nudisten liggen al snel boven, hoewel de Duitsers met zwiepende piemels op het veld staan en de Hollanders spelen in vleeskleurig ondergoed. Na een blunder van keeper Willem (afgeleid door een blote Duitse met een grote toeter) komt de tegenstander op 1-0. Vervolgens vergrijpt aanvaller Johnny zich aan de tepelring van een Duitser, wat leidt tot de 1-1 en tot een overhaaste vlucht van Swift Boys.

Het is de enige keer dat we gras zien; halverwege de film dagen de mannen een groepje Franse schooljongens uit voor een potje in het stof op het dorpsplein. Een wedstrijd kun je het amper noemen, les Hollandais worden kansloos weggetikt: 4-0. In twee minuten is het voorbij en vervolgen de mannen hun pogingen om naar Barcelona te reizen, voor een bruiloft en een bezoek aan de wedstijd Barcelona-Real Madrid.

Dat hoeft geen bezwaar te zijn. Uiteindelijk draait een goede voetbalfilm niet om voetbal, tegen het echte spel kan toch geen fictie op, maar om iets anders. Het wonder van Bern gaat over de wederopstanding van West-Duitsland in de jaren vijftig, Bend it like Beckham gaat over integratie en individuele ontplooiing, In Oranje gaat over rouwverwerking en de eerste All Stars ging over saamhorigheid en volwassenwording.

Dat voetbal dienstbaar moet zijn blijkt ook uit de mooie anekdote uit de legendarische film Victory (1981), waarin een groep geallieerde gevangenen het in Parijs moet opnemen tegen een naziteam. Keeper Sylvester Stallone stopt de beslissende penalty. Die strafschop was speciaal in het scenario geschreven om het ego van de doelwachter-steracteur te strelen: aanvankelijk had hij geëist de winnende goal te mogen scoren.

Toch heeft voetbal in al die films een functie, ze drijven stuk voor stuk op een grote honger naar de bal. De achttienjarige Jess in Bend it like Beckham heeft er een opstand tegen haar familie voor over om te kunnen blijven spelen, Remco uit In Oranje isoleert zich en zet zijn gewrichten op het spel voor een kans in het Nederlans jeugdteam, Matthias in Het wonder van Bern zet alles opzij om bij Die Mannschaft te kunnen horen, Bram in All Stars (1) wil koste wat het kost zijn teampje bij elkaar houden, tegen beter weten in trouwens.

Ze zijn gek natuurlijk, of jong, of allebei. In werkelijkheid is voetbal niet zo belangrijk. Maar de drijvende kracht in al die films is juist dat doorgeschoten voetbalfanatisme van de hoofdpersonen, een verdwazing waarvan je als toeschouwer ook wel weet dat die niet eeuwig kan duren. Tegelijk is het verlangen begrijpelijk – en zeker als je zelf weleens een vers gemaaid voetbalveld hebt geroken.

Neem Matthias in Het wonder van Bern. Natuurlijk is het heil dat hij van de bal verwacht overdreven, de grote problemen in zijn leven, een uit krijgsgevangenschap teruggekeerde getraumatiseerde vader, staan er los van. Maar zijn dwaze voetballiefde geeft hem een groot streven dat hem in staat stelt om in beweging te komen en zijn vader in beweging te krijgen.

Daarbij wordt hij geholpen door de magie van de bal. In de mooiste scène van Het wonder van Bern speelt het prijswinnende elftal geen rol, maar speelt de vader, alleen, op een braakliggend terrein met een veel te zware, oude en harige bal. Hij houdt het ding hoog, in opperste concentratie, schiet de bal steeds verder de lucht in en maakt ten slotte een omhaal. De bal verdwijnt uit beeld, de vader landt verend op zijn rug en kijkt waar de bal is gebleven.

Het moment betekent zijn (voorlopige) bevrijding: hij kan zich weer overgeven aan zoiets banaals als het uitvoeren van een perfecte omhaal – zonder wedstrijd nota bene. Hier draait het om de fysieke overgave aan iets volslagen nutteloos. De voetballer stelt zijn lichaam (en een beperkt deel van zijn geest) in dienst van een zinloze activiteit. Wedstrijden zijn van secundair belang, de aantrekkingskracht zit meer in het gras, het contact met de tegenstander, het schot of de glijpartij door de modder dan in de uitslag. De eenzame omhaal in Het wonder van Bern is jaloersmakend.

Uitslagen doen er amper toe in de voetbalfilm. De bevrijding van Jess zit niet in het winnen, maar in het kunnen voetballen. In de vrije trappen waarmee ze haar voorbeeld David Beckham (de film is beter dan de keuze van het idool doet vermoeden) naar de kroon probeert te steken. En in de schijnbewegingen, voorzetten en boogballen waarmee Remco uit In Oranje probeert het te maken; het is zijn manier om het pad te volgen dat zijn langs de lijn gestorven vader heeft aangewezen.

In Oranje heeft het meest van een echte voetbalfilm: de wedstrijden die erin voorkomen zijn even onvoorspelbaar als echte. De aanwijzingen die de held van zijn vader krijgt over kappen, draaien en al dan niet met links schieten sluiten stilzwijgend aan bij de wedstrijdbeelden. En de film eert echte voetballers.

Remco heeft een enkelkwaal die zijn amper begonnen loopbaan bedreigt, zie Marco van Basten – en vergelijk ook de voornamen. En zijn idool is niet een van de voetballende superhelden als Cruijff, Péle of Beckenbauer, maar Garrincha: de Braziliaanse buitenspeler die een groter talent dan Pele heette te zijn, maar die ten onder ging aan de drank: hij stierf op zijn 49ste aan een leverkwaal.

Geen onproblematisch idool, maar juist doordat de schaduw van Garrincha boven In Oranje zweeft, krijgt de hysterische voetballiefde van vader en zoon Van Leeuwen een natuurlijk tegenwicht, je wordt doorlopend aan de relativiteit van het voetballeven herinnerd. Die relativering is voor een voetballer of voetbalfan minder vanzelfsprekend dan voor gewone mensen.

Allemaal bevatten de films een sleutelmoment waarin de voetballers ontwaken uit hun verdwazing en ontdekken dat voetbal toch niet de belangrijkste zaak van het leven is, hooguit – een van de betere voetbalclichés – de belangrijkste bijzaak van het leven. In de eerste All Stars-film is dat effect het duidelijkst bij Bram, de aanvoerder van het team en de degene die koste wat kost het verouderende amateurteam van Swift Boys bij elkaar wil houden.

Hij denkt dat hij dat doet omdat hij zo veel van voetbal houdt, maar wij weten beter: eigenlijk is het zijn verlangen naar kameraadschap, wat weer samenhangt met zijn lang verzwegen homoseksualiteit. Zijn teamgenoten komen tot een vergelijkbaar inzicht door de dood van hun jarenlange trainer. Er wordt heel wat afgestorven in voetbalfilms. De dood is de methode bij uitstek om de voetbaldwaas ruw uit zijn roes te laten ontwaken.

Wat dat betreft is ook All Stars 2. Old Stars een voetbalfilm, de dood speelt vanaf het begin mee – als een spits die loert op dat éne kansje. Wat echter ontbreekt in de film is niet alleen spelminuten, maar ook de verdwazing die de andere voetbalfilms voortstuwt. Dat heeft zijn logica: de karakters hebben hun loutering al aan het einde van de eerste film meegemaakt, vanaf de eerste minuut van de opvolger weten ze dat er belangrijker dingen zijn dan voetbal. Tekenend is hoe de mannen besluiten naar Barcelona te gaan. Niemand heeft veel tijd of zin, wat uiteindelijk de doorslag geeft is het vooruitzicht om in het stadion naar Barcelona-Real Madrid te kijken.

Het stadion zullen we niet te zien krijgen, de film eindigt met een laatste onderling potje voetbal dat symbolischer werkt dan het waarschijnlijk was bedoeld: er is al geen tegenstander meer, ze spelen alleen nog tegen zichzelf.