De Chinese slaven van Steve Jobs

De kranten stonden vol lofzangen, president Obama was in rouw en zelfs de reactie van concurrent Bill Gates zat vol superlatieven; het zal u niet ontgaan zijn: Steve Jobs is vorige week overleden.

Schokkend nieuws, zowel voor fans als voor Apple-sceptici zoals ik. De kranten hadden dus alle reden om aandacht te besteden aan het overlijden van de geestelijk vader van populaire en vernieuwende gadgets. Maar waar was de kritische journalistieke houding? Waar waren de kanttekeningen bij het succes? Ze waren niet te vinden. In plaats daarvan verkozen vrijwel alle media de totale loftuiting.

De belangrijkste vraag bleef onbeantwoord: moeten wij alles over willen hebben voor een gadget? Mag een visionair zijn ideeën rigoureus uitvoeren en daarbij alleen maar denken aan het design, de technologie en – vooral – de verkoopkansen? Onder Jobs’ verantwoordelijkheid is er veel misgegaan.

Wat te denken van de zestien Chinese Apple-medewerkers die het fabrieksregime niet meer aankonden en uit wanhoop zelfmoord pleegden? Of van de medewerkers die blootgesteld werden aan n-hexaan? Of van de levens van Apple-medewerkers die bestaan uit vijftien uur onveilig werken en dan slapen in een overvol gebouw? Je zou verwachten dat een bedrijf – dat een universeel ideaal beweert te hebben – meteen tot actie zou overgaan en de situatie in de fabrieken zou verbeteren.

Maar nee: de Chinese medewerkers konden het doen met een verklaring waarin Apple beweerde dat „de werkomgeving veilig is en de werknemers respectvol behandeld worden”. Met zo’n verklaring kan je het doen als weduwe van een overleden Apple-slaaf. Jobs was briljant, maar geen mensenrechtenactivist.

Het wordt tijd voor een CEO die werkt als iGod: mooie gadgets maken en rechten altijd respecteren.

Funs Elbersen