Geobsedeerd door ufo’s en zwarte magie

Er is een biografie verschenen over popster David Bowie. Hij beleefde met name in de jaren zeventig zijn hoogtijdagen.

Zomerse avond in Engeland, 6 juli 1972. Papa in zijn luie stoel, mama doet in duster de afwas, kinderen, nog in schooluniform, zitten klaar voor Top of the Pops. Op tv verschijnt een tengere, vrouwelijke jongeman met een strak pakje en springerig worteltjeshaar: kort bovenop en halflang van de zijkant. Waren ze net gewend aan dat lange haar, kregen ze dit. Wie was die verwijfde vent? Sloeg hij ook nog teder een arm om zijn gitarist.

Maar het liedje dat hij zingt, Starman, glijdt aangenaam het oor in. Niet in de laatste plaats omdat de oranje nicht de melodie heeft gestolen van Over the Rainbow. Vergelijkbaar thema: verlangen naar een andere wereld, in dit geval belichaamd door een buitenaards wezen. Die Bowie lijkt trouwens ook wel op een alien, met zijn tweekleurige ogen en zijn gekke rattentandjes.

Popjournalist Paul Trynka laat zijn Bowie-biografie Starman pakkend beginnen met dit tv-optreden, dat van David Bowie (in 1947 in Brixton geboren als David Robert Jones) in één klap een popster maakte. Extravagant geklede popzangers hadden de Britten vaker gezien, maar iemand die zo vreemd was nog niet. Trynka: ‘Tot nu toe ging popmuziek over ergens bijhoren, over identificatie met je groep. Deze muziek ging over nergens bijhoren. Voor verspreide, geïsoleerde kinderen in Groot-Brittannië, en later in de Verenigde Staten, was dit hun dag. De Dag van de Buitenstaander.’

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 7 oktober 2011, pagina 14 - 15. Abonnees kunnen het hele artikel hier lezen.

    • een onzer redacteuren