Wildgroei burgermeisjes bedreigt koningshuis

In zijn inleiding van het Monarchiedebat (NOS) beloofde gespreksleider Rob Trip dat het niet zou gaan over de wenselijkheid van een erfelijk koningschap. Toch bleek die kwestie onvermijdelijk, terwijl de precieze uitwerking van de voorstellen tot een louter ceremoniële vorst die niet meer deel uitmaakt van de regering, tamelijk onderbelicht bleef.

Desondanks was het geen slecht debat, dat tamelijk verstandig en gedisciplineerd werd gevoerd door tien goed geselecteerde deskundigen. Het volk deed mee in de vorm van opiniepeilingen, die koningin Beatrix het rapportcijfer 7,6 opleverden en haar beoogde opvolger een 7,0. Ook wil 54 procent alles laten zoals het nu is, en spreekt 26 procent zich uit als voorstander van een beperktere rol voor het staatshoofd.

In het onderwijsgebouw van het UMC in Utrecht waren de opvattingen ongeveer net zo verdeeld. Er waren twee geharnaste republikeinen (columnist Elsbeth Etty en historicus Maarten van Rossem), drie conservatieve vertegenwoordigers van de status-quo (werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes, socioloog Anton Zijderveld en VVD’er Arend Jan Boekestijn) en twee fans van de huidige koningin (schrijver Geert Mak en Opzij-hoofdredacteur Margriet van der Linden).

Grappig genoeg kwamen de meest kritische geluiden over het huidige functioneren van de monarchie uit de mond van drie mensen die per definitie geen tegenstanders zijn van het instituut, omdat ze er hun brood mee verdienen. We hebben het over twee gespecialiseerde royaltyjournalisten (Marc van der Linden en Peter van der Vorst) en Daniela Hooghiemstra, die onder meer boeken schrijft over de geschiedenis van de Oranjes.

Hooghiemstra noemde Beatrix wel „een van de beste, misschien wel het beste staatshoofd dat we ooit gehad hebben”, maar waarschuwde tegelijkertijd voor „de uitwassen van de hofcultuur”. Het grootste probleem van dit moment is niet dat de koningin te veel politieke invloed zou hebben, maar de onhandelbare, door de koningin afgedwongen omvang van het Koninklijk Huis („al die burgermeisjes op hakken”) en een neiging om door mediacodes en andere onvriendelijke stappen de persvrijheid in te perken.

Ook zou de vrijheidsdrang van kroonprins Willem-Alexander wel eens zijn grootste valkuil kunnen worden in de uitoefening van het koningschap: „Als hij in dat uniform de Troonrede uitspreekt, dan zal dat niet gepikt worden.”

En zo waren we weer terug bij de kernvraag. Wat weegt zwaarder: de rationele en democratische bezwaren tegen een erfelijk koningschap met toeters en bellen, of de irrationele behoefte van het Nederlandse volk aan de magie en onaantastbaarheid van een nationaal symbool?

Of zoals Mak het in zijn openingszinnen formuleerde: „Het theater bindt de natie, net zoals de Hema.”