Sterreporter metdikke duim

Een verslaggever van de Telegraaf moest vertrekken nadat hij verhalen bleek te hebben verzonnen.

Hoe kunnen zulke dingen gebeuren?

A chalkboard at the front of a classroom in a school in Robat, Afghanistan, is shown March 12, 2010. (U.S. Air Force photo by Tech. Sgt. Francisco V. Govea II/Released) 5/2 ID (SBCT) HHC BDE

In elke journalist schuilt een Damschreeuwer die worstelt om eruit te komen. Terwijl de menigte het kuchen inhoudt, komt hij de orde verstoren. Lekker!

Maar in elke journalist zit ook een allemansvriend verstopt, die iedereen vooral een plezier wil doen, en niet te beroerd is gunsten te verlenen.

In de affaire rond Telegraaf-journalist Martijn Koolhoven kwamen ze beiden naar boven.

Martijn Koolhoven, jarenlang een sterverslaggever van de Telegraaf, moest vorige maand vertrekken na een uitzending van het tv-programma Zembla. Daarin werd hij beschuldigd van belangenverstrengeling en het deels verzinnen van een reportage.

Volgens het tv-programma had de journalist de onrust in de Rotterdamse wijk Hillesluis rond een ‘SM-studio’ namelijk grotendeels zelf veroorzaakt. Bovendien zou hij op dat verhaal zijn gezet door een bevriende zakenman, directeur Rob Heilbron van lingeriemerk Sapph, die verwikkeld was in een juridisch conflict met de uitbater van de studio, de Rotterdamse fotograaf Leo de Deugd.

Het idee zou zijn geweest, aldus collega-fotograaf Torben Raun, om wraak te nemen op De Deugd. „De moslims moesten zo woedend worden dat ze de studio van De Deugd in brand zouden steken.”

Eigenlijk was het al een oude kwestie. Het gewraakte artikel van Koolhoven, ‘Eng en verschrikkelijk!’ Rotterdamse ‘moslimwijk’ in shock na komst fetisj-fotograaf verscheen op 7 april 2010. De aanhef was even schrikbarend als de kop: „De Rotterdamse achterstandswijk Hillesluis – zo’n beetje klein Mekka aan de Maas – is in rep en roer.” Volgens De Deugd, al bijna tien jaar aanwezig in de wijk, was daar helemaal geen sprake van.

Twijfel was er ook bij anderen. Rutger Castricum ging nog diezelfde dag kijken en maakte voor GeenStijl een geestige reportage vol schouderophalende buurtbewoners. De Deugd stapte naar de Raad voor de Journalistiek en kreeg daar in februari 2011 gelijk; twee maanden later won hij ook een kort geding tegen de Telegraaf.

Inmiddels had hij schade geleden, want de onrust die er niet was, was er door het artikel wel gekomen. De fotograaf werd naar eigen zeggen bedreigd op islamitische sites en zit nu vrijwel zonder werk.

Zembla gaf de genadeklap. Koolhoven werd op non-actief gesteld en meldde een week later dat hij was ontslagen. De reportage van het programma had de krant „midscheeps geraakt”, schreef Eric Smit op de financieel-economische site ‘Follow The Money’. Smit, auteur van een biografie van Nina Brink, slaagde er ook in commentaar te krijgen van Koolhoven en Heilbron.

De laatste erkende dat hij Koolhoven op het spoor van De Deugd had gezet, door hem een boek van de fotograaf te geven, Book of Revelations. Alternative Women, met sadomasochistisch getinte foto’s. Heilbron had zich later „de pleuris gelachen” om het artikel van Koolhoven, maar ontkende kwade bedoelingen: „Ik heb die fotograaf niet bewust pijn gedaan.”

Hoe dan ook, er was geen „moslimwijk in rep en roer”, voordat de verslaggever er langs kwam.

In Nederland komt het zelden voor dat een journalist na zulke aantijgingen moet vertrekken, al is het „in goed overleg”. In 1996 kwam freelance journalist Jan Haerynck in opspraak omdat hij – in het kielzog van de arrestatie van Marc Dutroux – een opzienbarend stuk voor de Volkskrant over kinderlokkers in Eurodisney niet kon waarmaken.

Legendarisch is het schandaal rond Janet Cooke van The Washington Post, die in 1980 een Pulitzer Prize moest teruggeven omdat haar bloedstollende verhaal over een 8-jarige heroïneverslaafde (‘Jimmy’s World’) van A tot Z uit de duim gezogen bleek. Inclusief scènes waarin „de naald in zijn armpje verdwijnt zoals een schep in een verjaardagstaart” . Extra pijnlijk voor The Post was dat Cooke werkte onder leiding van Bob Woodward, de onthuller van het Watergate-schandaal. Het vertrouwen dat hijzelf als onderzoeksjournalist van zijn chefs had gehad, bleek in het geval van de ambitieuze Cooke misplaatst.

Jaren later deed Jayson Blair het bij The New York Times dunnetjes over. Ook hij verzon bronnen die hij niet echt had gesproken.

Hoe kunnen zulke dingen bij grote kranten gebeuren?

Rode draad lijkt een combinatie van talent, succes en solisme. Koolhoven was een bewezen ‘sterverslaggever’ met een staat van dienst van 25 jaar, die tot op grote hoogte zijn eigen gang kon gaan. Cooke was een aanstormend talent, dat erop uit werd gestuurd omdat ze hongerig was en meteen grote indruk maakte toen ze met een smakelijke buit terugkwam. Vragen? Geen vragen.

Zoiets is niet voorbehouden aan journalisten. Psycholoog Diederik Stapel, recentelijk in opspraak wegens het frauderen van onderzoeksdata, heeft volgens de rector van de Utrechtse universiteit ook langdurig kunnen sjoemelen met zijn gegevens omdat hij vaak alleen werkte.

De ‘formule’ lijkt dus: talent x succes + solisme = risico.

Journalisten werken bovendien in een competitieve omgeving: ze moeten zich elke dag opnieuw bewijzen. „Je bent even goed als je laatste verhaal”, is een redactiewijsheid. Juist daarom is het essentieel dat ze ook in een collegiale omgeving werken die vragen stelt, grenzen bewaakt en hen scherp houdt. Dat geldt voor veteranen evengoed als voor beginners.

Een redactieklimaat dat zulke collegiale toetsing bevordert, is daarom voor kranten onontbeerlijk. Niemand moet boven de regels staan, al gaat het nog om zo’n brisante primeur – sterker nog, juist dan is toetsing belangrijk. Al kan een organisatie natuurlijk ook collectief falen, zoals de Volkskrant overkwam met de ‘martelprimeur’ over Nederlandse militairen in Irak, in 2007. De krant stelde een extern onderzoek in, met als uitkomst onder meer een richtlijn voor het toetsen van primeurs.

Daar komt bij dat door bezuinigingen de taken van journalisten zijn verzwaard en de rol van eindredacties vaak is verminderd. Fact checkers, die cijfers, feiten en citaten verifiëren, zijn bij veel Amerikaanse media verdwenen. Bij The New Yorker is het nog steeds gebruikelijk dat artikelen zo worden gecontroleerd, al klagen critici dat het ook daar minder wordt. Zie ook de film Almost Famous waarin een redacteur van Rolling Stone de leden van een rockgroep belt om hun uitspraken na te lopen.

De hectische productie van een dagblad maakt zoiets een stuk lastiger, zo niet onmogelijk. Bezuinigingen hakken er dan keihard in. In de laatste reeks van de tv-serie The Wire wordt haarscherp in beeld gebracht hoe een jonge reporter op een redactie die kreunt onder de inkrimpingen de boel begint op te lichten om hogerop te komen. Het levert hem een Pulitzer Prize op. Het grote verschil met Janet Cooke: hij wordt niet ontmaskerd.

Laten we hopen dat de tv cynischer is dan de werkelijkheid.