Help! Mijn zusje wordt vermist!

Een noodkreet, zeggen kenners van de sociale media. Vroeger was Sandra van Oostende op het dorpsplein gaan staan schreeuwen.

De politie heeft in de nacht van zondag op maandag een stoffelijk overschot van een meisje aangetroffen in de woning van de eerder aangehouden verdachte in de vermissingszaak van Jennefer van Oostende. ------------------------------------------------ Niet voor publicatie Bronvermelding verlicht: fbf.nl en fotograaf Teksten bij foto copyright BlikopNieuws.nl Let op! Gevolgen bij plaatsing van FBF foto's en teksten zijn op eigen aansprakelijkheid. De Bruinlaan 26 1427 AH Amstelhoek Mail: fotografie@fbf.nl, info@blikopnieuws.nl Contact : Frank van den Berg 06-53339633 Erwin Hermanns: 0615042208. Bij gebruik hanteren wij NVF tarief FBF.NL Fotografie

Exhibitionisme? Is de grens tussen het tastbare en het virtuele leven aan het verdwijnen? Of is dit gewoon de 2011-manier van heel hard schreeuwen op het dorpsplein? Alle media sloegen er gisteren op aan: het feit dat Sandra van Oostende op Facebook schreef dat haar zusje Jennefer vermist werd, en daarna dat ze dood was. En dat Sandra van Oostende ook op Facebook een dader aanwees: haar ex. Miljoenen mensen lazen mee.

Mediapsycholoog Mischa Coster denkt: dorpsplein. „Ze is waarschijnlijk op Facebook gegaan om hulp te vragen. Mensen, mijn zusje is vermist. Help! Help!” En dat is slim, vindt hij, want Facebook is veel sneller dan een Amber Alert, en bovendien viraal: het bericht verspreidt zich via haar volgers. Het effect van een multiplier.

Sandra van Oostende, vermoedt hij, deed niet zomaar wat. „Het was echt geen ongelukje dat ze met haar verhaal op Facebook ging.” Ze maakte – onbewust – gebruik van twee eigenschappen die diep in mensen zitten, omdat ze nou eenmaal kuddedieren zijn: hun aardigheid als iemand in nood verkeert en hun nieuwsgierigheid. En echt nieuw nieuws, dat is schaars, dus waardevol. „Iedereen is reporter, iedereen wil een scoop hebben. Het is statusverhogend als jij iets weet wat een ander nog niet weet.” Waar Jennefer was, bijvoorbeeld. Wat er mogelijk met haar gebeurd is.

Een zus die pronkt met kennis die anderen nog niet hebben?

„Dat ze de afloop heeft gemeld, dat hoorde er wel bij. Ze zocht opnieuw steun bij haar vrienden. Al is het wel de vraag of het waar is wat ze zegt: dat haar ex de moordenaar is.”

Mischa Coster adviseert bedrijven hoe ze sociale media kunnen aanwenden om gedrag van consumenten te beïnvloeden. Hij vertelt ze graag hoe één bericht op Facebook of Twitter al gauw honderd berichten zijn, en vervolgens duizend, en hoe geloofwaardig ze daardoor worden – al blijft de bron dat ene bericht. „In de psychologie noemen we dat sociale bewijskracht. Als zoveel mensen het zeggen, dan zal het wel waar zijn.”

Niet per se goed of leuk, zegt hij. Maar zo werkt het. En ja, het risico is nu dat de ex al veroordeeld is voordat we de feiten kennen. Maar zo kan het op het dorpsplein ook gaan. M’n zus is dood en híj heeft het gedaan!

Martijn de Waal noemt zichzelf mediafilosoof, al weet hij niet zeker of dat al een erkend beroep is. Hij werkt onder andere aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn proefschrift ging over de manier waarop mensen zichzelf al dan niet bewust laten kennen, vroeger in het gewone leven, nu via de sociale media. Hij vindt het „heel logisch” dat mensen ervaringen en emoties willen delen met anderen, en dat ze daar alle beschikbare middelen voor gebruiken. Dus dat Sandra van Oostende met haar zorgen om haar zusje op Facebook is gegaan, dat verbaast hem niet. „Ik zie het als een noodkreet.”

Mensen kunnen zich op Facebook een imago aanmeten, zegt hij. En dat doen ze ook, zeker jonge mensen. Ze kunnen een „identiteit construeren” door zorgvuldig na te denken over wat ze wel en niet op hun pagina zetten. Hobby’s, vrienden, foto’s, belevenissen. Wat ze zich volgens hem nog te weinig realiseren: met hoeveel mensen ze díe informatie delen. „Ze denken dat ze alleen gevolgd worden door intimi. Maar als ze hun pagina niet afschermen, zijn het er dus veel en veel meer.”

Of Sandra van Oostende dat wist, dat durft Martijn de Waal niet te zeggen. Hij weet wel wat er mis kan gaan. „In het gewone leven pas je je gedrag voortdurend aan aan de situatie waar je in zit. In de collegezaal ben je anders dan bij je oma. Maar op internet mis je de informatie uit je omgeving en dan kan het opeens totaal ongepast blijken te zijn wat je doet.”

Reinder Rustema, docent nieuwe media en politiek aan de Universiteit van Amsterdam, zegt ook dat het een noodkreet was van Sandra van Oostende. „Ze heeft voor haar vrienden en bekenden willen opschrijven wat er gebeurde.” En hij denkt ook dat ze zich niet gerealiseerd heeft hoeveel mensen naar haar pagina op Facebook konden kijken. Het lastige is, zegt hij, dat mensen die in de media werken zich dát weer niet kunnen voorstellen. „Die zijn er al lang aan gewend dat alles wat ze zeggen of schrijven in principe voor een miljoenenpubliek is. Daar houden ze rekening mee.”

Gewone mensen, zegt hij, zijn niet gewend aan veel aandacht. Ze dromen er wel van – vandaar de populariteit van reality shows – maar ze hebben er geen ervaring mee. Miljoenenpubliek? „Volkomen abstract. Totaal onvoorstelbaar.” Sandra van Oostende, denkt hij, zal geschrokken zijn van wat ze heeft geopenbaard.