Aap is nog aan het werk, laat de baviaan wachten

Ondanks de Nobelprijs is niet zeker dat Johnson Sirleaf vandaag herkozen wordt als president. Haar succesvolle economische beleid heeft zich nog niet vertaald in werk.

Ze had geen zin in vragen over de Nobelprijs en ze zei er niets over toen ze gisteren een opgetogen menigte toesprak die de brandende zon geduldig verdroeg om haar te zien. De altijd zakelijke Ellen Johnson Sirleaf heeft vrijdag dan wel de Nobelprijs voor de Vrede gekregen, vandaag moeten de Liberianen besluiten of ze haar nog zes jaar willen als president. Zij hopen op werk, elektriciteit, goedkopere rijst, meer wegen en minder ziektes.

„Veel mensen weten niet eens waar de Nobelprijs voor staat, behalve dat het iets belangrijks is in het Westen”, zegt journalist Ansu Konneh. „Zij willen weten wanneer hun kinderen niet langer onder een straatlamp hoeven te gaan zitten met hun huiswerk omdat er thuis geen stroom is.”

Ellen Johnson Sirleaf (72) is in het Westen zo ongeveer het meest gevierde Afrikaanse staatshoofd sinds Nelson Mandela. Maar bij haar aantreden in 2006 waren de verwachtingen in Liberia zo hoog dat teleurstelling bijna onvermijdelijk werd.

Betrouwbare opiniepeilingen bestaan niet – niemand kan voorspellen wie straks de verkiezingen wint. Zeker is dat Ma Ellen, zoals ze genoemd wordt, in de oppositiepartij CDC (Congress for Democratic Change) een sterke rivaal heeft.

Die partij wordt aangevoerd door advocaat Winston Tubman, een neef van ex-president William Tubman, en de ex-stervoetballer George Weah, die het verkeer in de hoofdstad Monrovia ontregelt zodra hij zwaaiend uit zijn groene Hummer hangt.

Weah trok de meeste stemmen in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in 2005, maar verloor alsnog in de tweede ronde van Johnson Sirleaf. Hem werd verweten dat hij te weinig kennis van zaken had en amper kon lezen of schrijven.

Weah heeft inmiddels een Amerikaans universiteitsdiploma bemachtigd. Maar Tubman staat nog altijd garant voor de bestuurservaring.

Liberia heeft onder Johnson Sirleaf wel vooruitgang geboekt. Na het vertrek van de belegerde gangsterpresident Charles Taylor in 2003 werd Liberia twee jaar lang bestuurd door een overgangsregering die uitblonk in het sluiten van corrupte deals en die vlak voor de verkiezingen nog even snel alle auto’s en computers meenam die de hulporganisaties zo gul hadden geschonken.

De economie, of wat er na veertien jaar burgeroorlog van over was, leunde op de export van rubber en het uitventen van de Liberiaanse vlag, die door de internationale koopvaardij als ‘flag of convenience’ wordt gehesen. De Liberianen zelf kwamen rond met het geld dat familieleden in het buitenland opstuurden.

Bij haar aantreden was Liberia’s staatsbudget miniem: 80 miljoen dollar. Dat is verviervoudigd, en naar verwachting groeit de Liberiaanse economie dit jaar met ruim 6 procent. Haar regering haalde een aantal belangrijke buitenlandse investeerders naar Liberia, waaronder staalgigant ArcelorMittal, die een oude ijzerertsmijn in het noorden van het land heeft heropend.

Twee Maleisische bedrijven hebben samen 250.000 hectares toegekend gekregen voor de aanleg van palmolieplantages. Voor de kust wordt intensief naar olie gezocht. De Amerikaanse oliemaatschappij Chevron begint binnenkort met exploratieboringen in de Golf van Guinee.

Het probleem, zegt analist Joseph Lake van de Economist Intelligence Unit, is dat de meeste Liberianen weinig hebben gemerkt van al die contracten. De armen zijn nog net zo arm als vijf jaar geleden. Veel woonwijken in de hoofdstad zijn ’s avonds nog steeds in het duister gehuld. De komst van expats van de dominant aanwezige hulpindustrie heeft de woningprijzen omhoog gestuwd.

„Een president kan natuurlijk niet alles doen en ze staat aan het hoofd van een behoorlijk corrupt systeem”, zegt Lake. „Ze is erin geslaagd buitenlandse investeerders aan te trekken, maar dat succes heeft zich nog niet vertaald in werkgelegenheid.”

De Liberiaanse politiek wordt geregeerd door pragmatisme en innige bondgenootschappen die voor buitenstaanders ondoorgrondelijk zijn. De middenklasse werd weggevaagd door de oorlog. De toplaag van rijken geniet een aanzien dat hen vrijwel onaantastbaar maakt.

Zo kan het dat voormalige rebellenleiders, die de dood van tientallen mensen op hun geweten hebben, aangesproken worden met ‘sir’, en corrupte regeringsfunctionarissen niet gehekeld worden omdat ze uit de staatskas stalen, maar omdat ze zo dom waren bewijs achter te laten.

Veel Liberianen vinden het niet eens tegenstrijdig dat Johnson Sirleaf beloofde corruptie aan te pakken en tegelijk een van haar zoons tot de raad van bestuur van de nationale oliemaatschappij liet benoemen.

Tegenstanders van Johnson Sirleaf ergeren zich aan het feit dat ze zich niets heeft aangetrokken van de aanbevelingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, die drie jaar lang openbare hoorzittingen hield.

Na afloop zette de commissie Johnson Sirleaf op een lijst van vijftig Liberianen die de komende jaren geen bestuursfunctie zouden mogen vervullen omdat ze betrokken waren bij de burgeroorlog. Volgens Johnson Sirleaf, die Charles Taylor begin jaren ’90 openlijk steunde, moet justitie zich daar maar over uitspreken.

Ook kwam zij terug op haar belofte na één termijn terug te treden. Met affiches vraagt ze de bevolking geduld te hebben zodat ze de komende zes jaar haar werk kan afmaken. ‘Monkey still working, let baboon wait small’. De aap (de president) is nog aan het werk, laat de baviaan (de oppositie) even wachten. Sommige Liberianen zien liever een baviaan.