Schandelijk reparatiewetje identiteitskaart

Betalen voor een verplichting – dat vond de Hoge Raad te ver gaan. Maar daar heeft de wetgever geen boodschap aan. Hij wil geld zien, schrijft H.U. Jessurun d’Oliveira.

De noodgang waarmee het ‘reparatiewetje’ over de leges te heffen voor de identiteitskaart door de Staten-Generaal wordt gejaagd, is een schamele vertoning. De Hoge Raad had op 9 september geoordeeld dat er geen leges over het uitgeven van identiteitskaarten mochten worden geheven, omdat het hier niet om een ‘dienst’ van de overheid ging, zoals bij het verstrekken van paspoorten, rijbewijzen, visakten enz., die primair de behoeften van de burger reguleren. Dat scheelt de overheid op jaarbasis zo’n 80 miljoen euro. Als de wiedeweerga diende minister Donner een wetsontwerpje in om dit financiële gat te dichten. Het is inmiddels aangenomen in de Tweede Kamer (CDA,VVD, PVV, SGP) en ligt nu in de Eerste Kamer, die daarover morgen zal praten.

Met de uitspraak van de Hoge Raad kwam de grondslag voor de heffing op losse schroeven te staan. De identiteitskaart, ingevoerd in 2005, heeft geen nut voor de burger. Het is een speeltje van de overheid, ingevoerd onder invloed van de angstige roep om meer controle en meer veiligheid. De burger, gezien als potentieel gevaar, als potentiële tegenstander, dient overal en altijd te identificeren te zijn. En moet voor die behoefte van de overheid nog betalen ook. Mij doet dit denken aan de maatregel van de bezetter in de Tweede Wereldoorlog om joden niet alleen te verplichten een davidsster te dragen, maar daarvoor ook een gulden per ster te laten betalen.

Wat is dan het argument om leges te blijven heffen? Leest men het wetsvoorstel, dan is daar niets anders in terug te vinden dan dat de ‘omissie’ hersteld moet worden. De Gemeentewet kan daartoe niet meer dienen, omdat de Hoge Raad het verstrekken van een identiteitskaart geen dienst in de zin van die wet vindt. Een principiële discussie over de vraag of het redelijk is dat de burger moet betalen voor een hem door de overheid opgelegde plicht vindt niet plaats. Is financiering uit de algemene middelen niet veel meer op zijn plaats bij het voldoen aan een verplichting van de burger om de overheid ter wille te zijn, dan de individuele burger daarvoor aan te slaan?

Had de Gemeentewet geen goede zin, door alleen heffingen mogelijk te maken voor diensten die de burger rechtstreeks ten goede komen? Het heeft mij bevreemd dat een commentaar in het Nederlands Juristenblad (30 september) alleen oog heeft voor het gat dat in de gemeentelijke begroting wordt geslagen.

Het wetje is een kaal en schamel machtswoord, principeloos en pragmatisch op de penning. Het maakt het nog erger door om er ook nog eens terugwerkende kracht aan te verlenen tot de datum van indiening van het wetsvoorstel, 22 september. Hoe bezwaarlijk die terugwerkende kracht in het algemeen ook is, zo staat in de Memorie van Toelichting, hier gaat het om een „uitzonderlijk geval”. Wat zijn dan de argumenten?

In de eerste plaats is het uitgangspunt: ‘de aanvrager betaalt’. Dat is nu juist de vraag bij verplichte aanvragen ten dienste van de overheid.

In de tweede plaats: als de identiteitskaart gratis is, dan kiest men te gemakkelijk voor een identiteitskaart erbij, want dat kost toch niets. Er vindt, zo zegt de minister, „onvoldoende afweging plaats of men de kaart werkelijk nodig heeft of dat men gebruik maakt van paspoort of rijbewijs om zich te kunnen identificeren”. Afgezien van het feit dat lang niet iedereen een pas of rijbewijs heeft, moet dus de identiteitskaart een concurrerende prijs hebben, als ik de minister goed begrijp. De burger moet via de prijszetting prikkels hebben om geen identiteitskaart aan te vragen. En dan ten derde, de aap uit de mouw: budgettaire noodzaak.

Het lijkt erop dat de redenen en argumenten voor het wetje pas aan de orde komen bij de redengeving voor de terugwerkende kracht. Er moeten een paar miljoen bij elkaar gegrabbeld worden. „De trias politica wordt sleets”, zo zei Maurits Barendrecht onlangs in deze krant. Hier ziet men zo’n slijtplek. De rechter fluit de uitvoerende macht terug, en de uitvoerende macht lapt zonder enige diepere gedachte dan angst voor inkomstenderving de rechterlijke uitspraak aan zijn laars.

H.U. Jessurun d’Oliveira is oud-hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam.