Plaszak en platzak

Eerlijk gezegd had ik even te doen met de NS. Op zich vind ik de plaszak namelijk een heel redelijk idee. Het was natuurlijk een slecht plan om de Sprinter, een trein voor korte trajecten, uit te voeren zonder toiletten. In bussen die op korte trajecten rijden zitten ook geen toiletten, maar de kans dat je met zo’n bus opeens langere tijd in een weiland stil komt te staan zonder dat je mag uitstappen, is natuurlijk erg klein.

In feite is de plaszak een noodvoorziening, net als een verbandtrommel. Of een kotszak in het vliegtuig. Dat de plaszak zoveel ophef veroorzaakte zal komen doordat deze noodvoorziening direct verband houdt met een taboeonderwerp: onze excrementen. Het was alsof we, ten overstaan van andere passagiers in een volle coupé, dan wel in het bijzijn van de machinist, voortaan allemaal verplicht onze behoeften zouden moeten doen in een plastic zak, met alle problemen van dien.

Gevolg: honderden twitterberichten vol flauwe grappen en woordspelingen, ook van Kamerleden en bekende Nederlanders. Veel aandacht op radio en tv. De NOS wijdde er een item aan in het Journaal van acht uur en legde de kwestie zelfs voor aan Melanie Schultz, minister van Infrastructuur en Milieu.

Opvallend veel berichten zoomden in op het woord plaszak. „Het woord staat niet in de Grote Van Dale, maar dat gaat vast veranderen. Sinds vandaag hebben héél veel mensen het over de plaszak”, zo begon Rob Trip dit item in het NOS Journaal. Diverse instanties, waaronder het Genootschap Onze Taal, lieten weten dat plaszak hoge ogen zou gooien als woord van het jaar 2011. En alsof deze verkiezing al achter de rug was, twitterde iemand: „Als woord van het jaar vind ik plaszak nog erger dan damschreeuwer.”

Maar is plaszak wel een nieuw woord? Niet echt. Al in 1979 schreef Maarten Biesheuvel in Verpletterende werkelijkheid: „De zuster stroopte een elastieken, huidkleurige kous af, eronder zat een plaszak, vol met urine.”

Het gaat in dit citaat niet, zoals bij de plaszak van de NS, om een zak die urine tot gel doet stollen, maar ook in díe betekenis is het woord ouder. Al in 1999 schreef deze krant, in een artikel over neologismen: „De plastuit is een uitvinding van Simone Zijp uit Amsterdam. Het gaat om een langwerpige, opvouwbare tuit van papier die het voor vrouwen mogelijk maakt om staand te plassen. […] Ander nieuw woord uit dezelfde branche: wegwerpurinaal, ook wel plaszak, wegwerptoilet en zakpo genoemd. In juni 1999 op de markt gebracht onder de merknaam Mini Potti. Gaat om een kokervormige zak, met aan de bovenkant een tuut. De binnenstromende urine wordt meteen opgenomen door absorberende korrels en daarna omgezet in een gel.”

Nieuw lijkt mij vooral dat de vluchtige opwinding over zo’n noodvoorziening, voorheen gedeeld bij koffieautomaat of stamtafel, nu op de voet te volgen is op internet. Het is een onderwerp dat even piekt en daardoor menen ook serieuze media als het NOS Journaal dat het nodig is om er aandacht aan te besteden. De relevantie van het onderwerp (een toevoeging in de NS-gereedschapskist, een noodvoorziening die een stuk hygiënischer is dan de meeste trein-wc’s) doet er kennelijk minder toe.

Opmerkelijk is, tot slot, dat allerlei twitteraars plaszak bestempelden als een uitgesproken vies of zelfs misselijkmakend woord. Zonder twijfel gaat dit terug op dezelfde associaties: dat je die zak in een openbaar vervoermiddel zou moeten gebruiken. Vraag mensen hoe ze denken over een plaszak aan een ziekenhuisbed en ze zullen veel minder heftig reageren. En vraag hoe ze denken over platzak en ze zullen waarschijnlijk zeggen: leuk, zo’n woord met binnenrijm.

Reacties naar post@ewoudsanders.nl