Opvoeden? Bij negen van de tien gaat het vanzelf goed

Opvoeden is echt niet altijd een Groot Probleem. Maar het wordt wel ingewikkelder, vindt de organisator van De Week van de Opvoeding. „Georganiseerde hypocrisie”, zegt de opvoedhistoricus.

Nederland, Sint Anna ter Muiden, 20091224. Kinderen helepen thuis met het afwassen. Children are doing some householding. Model released. Naamsvermelding verplicht, foto:Sabine Joosten of foto: Sabine Joosten/Hollandse Hoogte Sabine Joosten/Hollandse Hoogte

Een autoped op de smalle overloop, schone was aan een rek in het trapgat. Margreth Hoek (46) woont met man en zoon driehoog bij het Mercatorplein in Amsterdam, voorheen een buurt voor arbeiders, toen voor drugsdealers, nu meer en meer voor niet al te rijke intellectuelen. De vloer in de huiskamer ligt vol Lego. Margreth Hoek zegt dat ze een strenge moeder is. Of nee, haar zoon vindt dat ze een strenge moeder is. Maar Lego die blijft liggen, dat vindt ze geen probleem.

Ze werkt bij het Kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut in Utrecht en heeft de eerste landelijke Week van de Opvoeding georganiseerd. Die is vandaag begonnen, met een congres in Burgers’ Zoo in Arnhem.

Staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten (CDA) van Volksgezondheid, Welwijn en Sport was erbij en sprak bemoedigende woorden over het gekozen thema: Positief Jeugdbeleid. Dat opvoeden dus echt niet altijd een Groot Probleem hoeft te zijn. Dat het doorgaans vanzelf goed gaat.

Margreth Hoek wil aandacht voor dat ‘gewone opvoeden’. En ze wil aandacht voor de ouders, want die krijgen vaak de schuld van alles wat niet goed gaat, terwijl opvoeden ingewikkelder wordt en de samenleving weinig steun biedt. Voorbeeld: „Kinderen worden dik en iedereen wijst naar de ouders. Ja zeg, ik kocht laatst fruit in plaats van snoep om uit te delen, en ik was vijf keer zoveel geld kwijt.” Nog een: „Kinderen bewegen te weinig, ze zitten altijd op de achterbank. Hoe moeten ze bewegen als er overal auto’s rijden?”

Niet te lang getreurd, want er gebeurt ook veel goeds. Langs de drukke wegen in Margreth Hoeks buurt liggen sinds een paar jaar vrije fietspaden. „Enorme verbetering.” Jammer alleen van de scooters die er ook overheen racen. En dan de mentaliteit van de rest van de weggebruikers. „Mijn zoontje stak een keer over terwijl hij dat niet mocht van mij, en ik riep: stop, stop! Bleef hij midden op de weg staan en weet je wat een passerende automobilist deed?” Middelvinger.

Het gebrek aan respect voor ouders, het gebrek aan begrip als het toch misloopt – daar moeten we, vindt Margreth Hoek, nodig wat aan doen. In haar proefschrift, Ontheemd Ouderschap (2008), beschrijft ze waardoor ouders (tijdelijk) minder goede opvoeders kunnen zijn: slechte jeugd, psychische problemen, verslavingen, eenzaamheid, geldzorgen, geen zelfvertrouwen. Het lukt ze slecht om naar zichzelf kijken of te snappen wat ze anders moeten doen.

Kan een Week van de Opvoeding daar iets aan veranderen? Je kunt het in elk geval proberen, vindt ze. Overal in het land worden grote en kleine bijeenkomsten georganiseerd, met of zonder deskundige sprekers, en daar kunnen ouders elkaar ontmoeten.

Het is goed, zegt ze, als de overheid zorgt voor een „open opvoedklimaat” waarin het normaal is om elkaar vragen te stellen, of te onderkennen dat het soms toch niet zo gemakkelijk is. En ouders, weet ze uit onderzoek, leren het liefst van andere ouders die het in hun ogen goed aanpakken en kinderen hebben die net wat groter zijn dan hun eigen kinderen.

Zo liep zij er over te piekeren dat haar zoon zo moeilijk inslaapt. Deskundigen zeggen: níét bij je kind in bed gaan liggen, want daar verwen je ze mee. Maar wat doet zij? Ze leest hem in bed voor, en dan valt ze dus wel eens in slaap. „Daar voelde ik me schuldig om, totdat een andere moeder zei: ik heb nog nooit gehoord van puberkinderen die nog met hun ouders in één bed willen.”

Dichter bij het centrum van Amsterdam, in een oud huis bij de Overtoom, woont Hugo Röling (66), historicus, voorheen werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn specialisatie is kinderopvoeding door de eeuwen heen. Hij schreef er vele boeken over. Maar nu is hij met pensioen en past hij – het is donderdag – op kleindochter Luca van anderhalf. Om kwart voor drie springt hij op zijn fiets om kleinzoon Ilan van vier uit school te halen. Zijn jongste zoon Micha van 29 past zolang op zijn nichtje en schilt een appeltje. „Ga je poepen? Ik hoop dat opa op tijd terug is om je te verschonen.”

Nog maar één generatie geleden, zegt Hugo Röling, zou dit scenario onvoorstelbaar zijn geweest. Zijn eigen vader werkte na 1945 een paar jaar in Japan – hij was rechter bij het oorlogstribunaal – en liet Hugo Rölings moeder met vijf kleine kinderen in Nederland achter.

Wat zegt het over deze tijd, of over dit land, dat er een Week van de Opvoeding georganiseerd wordt? „Ach”, zegt hij. „Het kan geen kwaad om ons te verdiepen in de ontwikkeling van kinderen.” Zolang we dus maar onthouden dat het bij negen van de tien kinderen vanzelf goed gaat. Bij de tiende die wel problemen geeft – dat vindt hij het sombere van het vak pedagogiek – is er vaak weinig aan te doen.

Na deze relativerende opmerkingen wordt Hugo Röling toch een beetje boos en noemt hij een Week van de Opvoeding „georganiseerde hypocrisie”. Hij vindt dat ouders, vaders én moeders, tegenwoordig te veel onder druk worden gezet om hard te werken en te presteren, in alle lagen van de bevolking. En dat daar te weinig steun tegenover staat.

Zijn dochter, de moeder van Luca en Ilan, werkt vier dagen in de week, maar dan is ze wel ’s morgens voor half acht al de deur uit en komt ze pas na zessen weer thuis. Zijn schoonzoon doet het ook zo. „Het is allemaal minder ontspannen dan toen mijn vrouw en ik onze kinderen kregen.” En zij werkten ook allebei.

Meteen daarna zegt hij dat het van alle tijden is: denken dat vroeger alles beter was. Krijgen kinderen nu meer aandacht dan een eeuw geleden? Worden ze verwend? Hij citeert de pedagoge Elise van Calcar, uit zijn boek Zichzelf te zien leven (2006). „Wanneer ik de hedendaagse opvoeding vergelijk met de methode volgens welke ik ben grootgebracht, dan schijnt het me toe of er meer dan een eeuw tussen die beide vormen van menselijke opleiding moest liggen, zo hemelsbreed is het verschil tussen de positie, die ik als kind in huis innam en de staat van bijna aangeboren emancipatie waarin ik nu het kleine volkje om mij heen zie opwassen.”

Dat schreef ze in 1877.