Moslim én talent

Ik ben nog steeds enigszins in verbazing van de kleine speech van afgelopen week die de acteur Nasrdin Dchar gaf toen hij zijn Gouden Kalf won. Met het glimmende beeld in zijn hand doorbrak hij de traditie die dicteert dat dit soort gelegenheden vooral dank dient te worden betuigd aan familie, collega’s etcetera; en zeker niet voor politieke statements moet worden gebruikt. Dchars speech was heerlijk politiek; hij sprak Verhagen en Wilders aan, zei dat hij Nederlander was én Marokkaan én moslim én winnaar.

Nu wordt wat de traditie voorschrijft bij speeches door artiesten die een gouden beeld winnen overal ter wereld al langer aan de laars gelapt. In Hollywood bijvoorbeeld nemen acteurs al decennialang heftig politieke stellingnames in.

Maar er is ook iets anders dat in de rest van de wereld al veel langer voorkomt dan in Nederland en dus allang geen novum meer is. En dat zijn moslims die als acteur spelen in westerse films en stereotypen doorbreken, bijvoorbeeld het stereotype dat moslims alleen maar moskeegangers zijn en van moderniteit geen kaas hebben gegeten of willen eten.

De eerste moslim die ik op de buis zag in een westerse film was Omar Sharif. Dit was in de jaren zeventig in de Amerikaanse musical Funny Girl uit 1968. In die film speelt hij Nick Arnstein en kust hij zijn medespeelster Barbara Streisand, die Fanny Brice speelt, herhaaldelijk en gepassioneerd op de mond. Ik had nog nooit een moslimman een vrouw zien zoenen, laat staan op de mond, laat staan een blanke Amerikaanse vrouw, en zo zonder angst voor de toorn van god.

Hoe kan dat? Pleegt hij niet een zonde? Is hij nog wel moslim zo? Dat soort vragen raasden door mijn kinderbrein. Ouder geworden leerde ik het anders waarderen: een acteur is een acteur, hij speelt een rol, neemt die serieus, geeft zich, excelleert, gebruikt zijn talent, is geïnspireerd door zijn identiteit en er niet wezenlijk door beperkt.

Er zijn wereldwijd talrijke getalenteerde acteurs met een moslimachtergrond te noemen die in westerse films spelen, prijzen en lof binnenslepen en aan de top staan. Alexander Siddig, in o.a. de Canadese film Cairo Time (2009), Sibel Kekilli in o.a. de Duitse film Gegen die Wand (2004), Hafsia Herzi in o.a. de Franse La grain et le mulet (2007), en Sami Bouajila in o.a. de Franse De vrais mesonges (2010) om er maar een paar te noemen.

Eerlijk gezegd zie ik deze acteurs niet zo snel een speech geven van: „Hé, ik ben moslim.” Men is in het buitenland toch meer gewend aan het talent uit de diaspora. Nederland loopt daarin jammer genoeg een beetje achter.

naema tahir