Mijn parkeermeter eet mensenzielen

Voor mijn huis staat een parkeermeter. Ik ben er echter al lang geleden achtergekomen dat het geen normale parkeermeter betreft: dit apparaat voedt zich niet alleen met muntjes, maar ook met mensenzielen. Het gebeurt regelmatig dat ik naar mijn voordeur wandel en iemand bij de parkeermeter passeer die wanhopig op de toetsen staat te rammen,

Voor mijn huis staat een parkeermeter. Ik ben er echter al lang geleden achtergekomen dat het geen normale parkeermeter betreft: dit apparaat voedt zich niet alleen met muntjes, maar ook met mensenzielen. Het gebeurt regelmatig dat ik naar mijn voordeur wandel en iemand bij de parkeermeter passeer die wanhopig op de toetsen staat te rammen, in opperste verwarring naar het scherm staart of met zijn wang tegen het koude staal van het kastje zoete smeekbedes aan het fluisteren is.

Het had altijd wel iets om als autoloos persoon naar mensen te kijken die langzaam hun verstand verliezen in de grimmige krachtmeting met een machine. Tot mijn ouders langskwamen. Met de auto.

Mijn vader, die eenmaal op bezoek in de hoofdstad me graag met een beminnelijke glimlach vertelt dat „het enige mooie in Amsterdam de trein naar Utrecht is”, was al lichtelijk ontstemd door het gegeven dat in mijn buurt alle parkeerplekken bezet waren door sjofele auto’s, minibusjes, invalidekarretjes en bakfietsen. Toen we gedrieën zwijgend voor de parkeerautomaat stonden, zag ik even een verlekkerde glans over zijn metaal glijden.

Het begon ermee dat via een ingewikkeld druk- en doorkliksysteem de parkeertijden aangegeven moesten worden. Toch kwam daarna pas de werkelijke test: het kentekennummer moest worden opgegeven. Waarom dit moest was niet helemaal duidelijk: als een bonnetje voor een ruit ligt is het meestal wel duidelijk bij welke auto het hoort. Mijn ouders bleken bovendien niet zo gehecht aan het kentekennummer dat ze het uit hun hoofd kenden. We liepen terug naar de auto.

Toen we weer voor de parkeerautomaat stonden en allemaal in stilte ‘ZR87VG’ herhaalden, moest het nummer ingevoerd worden door een ronddraaiende knop, die over de letters van het scherm scrollde. Dit bleek een bijzonder onsympathieke knop, die bovendien alleen vóóruit werkte: als je over de goede letter heenschoot, mocht je weer helemaal vooraan beginnen. Na de tweede keer stapvoets doorklikken naar de ‘R’, wisten we opeens niet meer helemaal zeker wat de rest van het kentekennummer ook alweer was. Toen we daar een moment over nadachten, besloot de parkeerautomaat dat hij onze poging niet meer serieus nam, en keerde zonder waarschuwing terug naar het hoofdmenu. Alle al ingevoerde gegevens waren weg. Hier begon mijn vader het allemaal iets minder grappig te vinden.

Ik liep terug naar de auto. Dit keer schreef ik het kentekennummer op. Voor de parkeermeter gooiden we dertig keer de steeds terugkletterende muntjes in het gleufje, werden we twee keer naar het hoofdmenu teruggestuurd omdat het te lang duurde en mompelden we alledrie honderden verwensingen – en toen kregen we een bonnetje.

Laatst hoorde ik vanuit mijn huiskamer een steeds terugkerend gebonk: toen ik uit het raam keek bleken twee jongetjes muntjes uit de meter te trappen.

Het was karma.