Jazz met jongensachtige drive

Piet Noordijk verdiende bij amusementsorkesten als de Ramblers zijn brood. Na de vut ging hij ,,eindelijk” voor zijn plezier spelen.

Gouda, 01-03-09. Piet Noordijk tijdens 'n optreden in de Spiegeltent in Gouda. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Drie jaar geleden, in zijn woning in Hellevoetsluis, zei saxofonist Piet Noordijk dat hij beter klonk dan ooit. De oorzaak: bijna zijn hele professionele muzikantenbestaan was hij orkestlid. Bij de Skymasters, de Ramblers en als solist bij het Metropole Orkest, waar hij weliswaar een goede boterham verdiende maar vooral amusementsmuziek speelde. Toen hij bij het laatste orkest als leadsaxofonist met de vut ging, op zijn zestigste, kon hij „eindelijk” gaan doen wat hij wilde: jazz spelen voor zijn plezier. Met succes. „Ik merkte het meteen: een groeispurt in mijn spel. Ik word steeds beter.”

De bevrijding bleek uit een van zijn laatste cd’s: Pete’s Groove , een veelgeprezen album uit 2004 waarop hij met zijn kwintet nummers uitvoert als Willow Weep For Me, In A Mellow Tone en The Man I Love. Het is swingende, met flair gespeelde jazz. Noordijk soleert met een bijna jongensachtige drive: recht voor zijn raap. Met veel lust tot improvisatie en bij vlagen emotioneel geladen noten.

Piet Noordijk is een waanzinnig handige altsaxofonist, altijd gretig. En een musicus zonder poeha, die in het bijzonder de Amerikaanse jazz omarmde. „Nederland kent niet veel muzikale scheppers, opscheppers des te meer”, zei hij eens.

Zaterdag overleed hij, na een kort ziekbed als gevolg van longkanker. Doorspelen tot z’n 95ste zou hij. Het was een afspraakje ‘met zichzelf’, naar voorbeeld van altsaxofonist Benny Carter die ook tot het einde was doorgegaan.

Musici blijven jong door de muziek, was de overtuiging van Piet Noordijk. „Hoeveel mensen hebben een beroep waarbij ze blij zijn dat ze dat werk over een paar jaar niet meer hoeven doen?” Er waren steeds weer plannen voor nieuwe tournees. Levenspartner Bas reed hem naar al zijn concerten. „Maar niet meer dag in dag uit hè”, zei Noordijk. „Want dan moet je middelen gaan nemen om op de been te blijven.” Dat is het begin van het einde, wist hij van vele hem ontvallen jazzvrienden.

Al in de luiers kende hij de jazz, dankzij zijn oudere broers. Als kind in de wijk Tuindorp in Rotterdam, ‘op Zuid’, begon Piet op klarinet. Vanaf zijn vijftiende kwamen de schnabbels, vaak met broer Cees Noordijk, in kroegen, nachtclubs en op de dansschool. Ze werden kostwinners in het arme gezin Noordijk. Het conservatorium in Rotterdam rondde hij cum laude af op klarinet. Door te luisteren naar Charlie ‘Bird’ Parker, de bebopheld uit zijn jonge jaren, raakte hij echter verslingerd aan de saxofoon die hij zich als autodidact eigen maakte.

Hij was een bopper, maar stond open voor vele stijlen: van populair tot avant-garde. In de periode 1962- 1967 speelt hij in het Mischa Mengelberg-Piet Noordijk Quartet. Hun album Driekusman Total Loss is nog steeds een belangrijk, door veel jongere musici bestudeerd werk. Maar de muzikaal dwarse koers die Mengelberg wilde volgen ging Noordijk uiteindelijk te ver. Hij stapte eruit, Willem Breuker kwam erin.

Noordijk ging commerciëler, met het album Prototype (1978). In 1980 verscheen zijn eerste eigen jazz-cd, Loverman. Naast het Metropole Orkest behield hij zijn eigen bebopkwartet. In 1987 werd hij onderscheiden met de Bird-award.

Dag en nacht hoorde hij muziek in zijn hoofd. Nootjes, zo omschreef hij, maar het waren vooral klanken. ,,Alsof ik constant sta te spelen.” Naast de liefde voor Charlie Parker liet hij in zijn project Piet plays Sinatra horen hoe diepgeworteld ook de liefde voor Sinatra zat.

Toen hij in 2007 op zijn 75ste zijn zestigste jubileum groots in het Amsterdamse Bimhuis vierde, vond hij dat hij „naar de 75 was toe geluld. Morgen ga ik gewoon verder met 45 zijn.” In 2008 kreeg hij twee oeuvreonderscheidingen: de Blijvend Applaus Prijs en een Edison in de categorie jazz. De theaterconcerten met Rita Reys van de laatste jaren waren feestjes, met ovationeel applaus. Zijn muziek mocht nostalgische gevoelens op bij zijn publiek oproepen – in zijn band vlóóg hij – op de energie van zijn jongere collega-musici.