Drukke kinderen rustig met rijst

Een sober dieet helpt kinderen met ADHD, concludeert onderzoekster Lidy Pelsser. Maar het Centrum voor Voeding en Gezondheid vindt het onderzoek niet goed.

Voor Lidy Pelsser is het zonneklaar. Bij een groot deel van de kinderen met ADHD wordt hun hyperactiviteit en hun aandachtstekort veroorzaakt door bepaalde voedingsmiddelen. „Zo gauw je een oorzaak weet, hoef je dus niet meer de symptomen te behandelen met een tabletje. Je kunt de oorzaak aanpakken.” Zij ziet de definitie van de stoornis graag opgesplitst in door voeding veroorzaakte ADHD, en klassieke ADHD.

Vandaag promoveert de onderzoekster en psychologe aan de Radboud Universiteit Nijmegen op haar onderzoek. Dat deed in februari van dit jaar al veel stof opwaaien. In het gezaghebbende tijdschrift The Lancet liet ze zien dat bij 60 procent van de kinderen met ADHD die een speciaal dieet volgden, de klachten goeddeels verdwenen. ADHD (attention-deficit hyperactivity disorder) is de meest voorkomende psychiatrische stoornis bij kinderen. Eén op de twintig kinderen heeft er last van. Die studie is de kern van Pelssers proefschrift.

„Die studie heeft twee zware tekortkomingen”, zegt Hans Verhagen, hoofd van het Centrum voor Voeding en Gezondheid binnen het RIVM. „Ten eerste is hij niet goed geblindeerd. Ouders, kinderen, leraren en de onderzoekster wisten of een kind in de dieetgroep of in de controlegroep zat.” De gemeten verbetering kan dus ook een placebo-effect zijn, veroorzaakt doordat ouders en kinderen, met al die inzet voor het dieet, graag willen dat het werkt.

„Ten tweede”, vervolgt Verhagen, „is de controlegroep anders behandeld. Hierdoor is niet uit te sluiten dat andere zaken de gevonden effecten kunnen verklaren.” Bijvoorbeeld verschillen in doktersbezoek en in gezinsstructuur.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) concludeerde in 2009 dat er geen bewijs is voor de rol van voeding bij ADHD, na grondige bestudering van de literatuur over de rol van voeding bij ADHD. Ook na Pelssers onderzoek in The Lancet blijft onze conclusie staan, zegt Verhagen. Totdat er hard wetenschappelijk bewijs is, vindt het RIVM het niet raadzaam om het schrale dieet standaard toe te passen bij jonge kinderen die ADHD hebben. „Maar mensen mogen zelf hun beleid hierin bepalen”, aldus Verhagen.

Pelsser is er klaar voor om het zogeheten RED (restricted elimination diet) standaard aan te bieden voor jonge kinderen met ADHD. Behalve haar eigen onderzoeksplek, het ADHD Research Centrum in Eindhoven, is er een dependance in Rotterdam. „Veel kinderen met ADHD ontwikkelen later ODD, ofwel Oppositional Defiant Disorder, waarbij ze opstandig en brutaal gedrag vertonen”, vertelt ze aan de telefoon. „Die kinderen neigen snel naar delinquent gedrag. Als we vroeg kunnen ingrijpen, kan dat de maatschappij veel geld besparen, en een hoop ellende voorkomen.”

„Hoe precies, is nog onduidelijk. Maar het is onomstotelijk bewezen dat voeding bij sommige kinderen met ADHD een rol speelt”, zegt Pelsser.

Pelsser wil niet langer wachten. „Er zijn sinds 1985 acht studies verschenen, die allemaal vergelijkbare resultaten laten zien. Vijf daarvan zijn geblindeerd en met een nep-dieet uitgevoerd. Bovendien is er geen enkel onderzoek dat laat zien dat een RED niets verbetert. Ik, en mijn mede-onderzoekers met mij, vind dat voldoende bewijs. Het is tijd om er nu naar te handelen. Dat zijn we aan de gezondheidszorg verplicht.” De gezinsstructuur verandert niet door het volgen van een RED, laat Pelsser in haar proefschrift zien.

In mei 2013 zal de DSM-V verschijnen, de nieuwste versie van het Amerikaanse standaard handboek voor diagnostiek in de psychiatrie. Pelsser heeft alle hoogleraren die betrokken zijn bij het herschrijven haar proefschrift toegestuurd, met een pleidooi voor de nieuwe onderverdeling voor ADHD.

In Nederland werkt het Trimbos Instituut voor geestelijke gezondheidszorg aan een nieuwe richtlijn voor de signalering, screening en diagnostiek van ADHD bij kinderen en jeugdigen, vertelt woordvoerder Marjan Heuving. „Het onderzoek van Lidy Pelsser heeft zeker onze aandacht. Maar we kunnen nog niet zeggen of we haar aanbevelingen in de richtlijn opnemen.”