Brüggen en Yannick: tegenpolen

Beethoven, Symfonie nr. 3‘ Eroica’. Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v Frans Brüggen, gehoord: 6/10. Rot. Philh. Orkest o.l.v. Y. Nézet-Séguin, gehoord 7/10. ****/ ****

Tweemaal Beethovens baanbrekende Derde Symfonie, daags na elkaar in De Doelen door twee totaal verschillende orkesten – dat levert een fascinerende vergelijking op.

Frans Brüggen en zijn Orkest van de Achttiende Eeuw spelen komende week alle Beethoven-symfonieën in vijf concerten. In het eerste concert van hun ‘Beethoven belevenis’ (nrs. 1 en 3) toonden zij donderdag achteloos hun meesterschap. De uitvoeringen waren niet vrij van smetjes – een kleine verstemming, het wat rommelige scherzo van de Eerste – maar bezaten wel een vanzelfsprekende autoriteit.

Na de pauze zat Brüggen nog niet op zijn stoel of de beroemde openingsakkoorden van de Eroica hamerden de zaal in. Zo hervonden ze iets van de oorspronkelijke overrompeling. In de fortissimi, zoals aan het begin van het scherzo, beukte het orkest naar vol vermogen. En in de gesyncopeerde donderslagen van het eerste deel leek het haast te kraken.

Het voordeel van Brüggens benadering is dat de revolutie zo echt hoorbaar wordt. De klankwereld van de Eerste symfonie paste nog in het achttiende-eeuwse orkest, maar onder de druk van de Derde barstte het bijna uit zijn voegen. Die ervaring uit 1804 als het ware her te beleven was spectaculair.

Paradoxaal genoeg streefde Yannick Nézet-Séguin in zijn programma datzelfdena. Ook hij combineerde de Eroica met stukken die kort daarvoor ontstonden: Beethovens eigen Die Geschöpfe des Prometheus-ouverture, en Mozarts Derde Vioolconcert, met de jonge Veronika Eberle als overtuigende soliste.

Yannick is Brüggens tegenpool. Jong tegenover oud, voornaam versus achternaam. Zijn Rotterdams Philharmonisch staat in een symfonische traditie die begínt met Beethovens Derde, en niet, zoals Brüggens orkest, in een die ermee eindigt. Leken de meters naar de bok voor de breekbare Brüggen eindeloos, voor Yannick loert het gevaar eerder in zijn onstuimige geestdrift, die hem soms haast van zijn podiumpje deed dansen.

Die uitbundigheid werkte aanstekelijk en onderstreepte Yannicks visie op de partituur, vol contrasten, verfijning, daverende tutti en abrupte lichtvoetigheid. Bij het Rotterdams Philharmonisch geen borstelige strijkerklank, maar een weldadige. Ook Beethovens grilligheid was minder evident: een modern orkest als dit werd immers speciaal ontwikkeld om die grilligheid te beheersen.

Waar het verstilde slot van de Treurmars bij Yannick voelde als een voortreffelijk effect, was er bij Brüggen loutering. En ook die verdient een volle zaal.