Bij minder sterke wiet rook je gewoon meer

De beslissing om zware wiet onder harddrugs te scharen kan maar één gevolg hebben.

Nu moet de overheid zich ook gaan bemoeien met de achterdeur van de coffeeshop.

Edith Schippers, onze minister van Volksgezondheid, heeft na een lange stilte eindelijk een teken van leven gegeven wat betreft het drugsdossier. Die lange stilte was merkwaardig, omdat zij eindverantwoordelijk is voor het gedoogbeleid. Maar de laatste jaren wordt het debat over dit dossier uitsluitend gevoerd door de minister van Justitie en Veiligheid, die ook de hoorzitting over het drugsbeleid van vorige week organiseerde. Kennelijk heeft Schippers toch zitten meeluisteren.

Haar bemoeienis levert meteen een hoop reuring op. De beslissing om cannabis met een THC-gehalte van meer dan 15 procent onder de hard drugs te scharen sloeg in als een bom. Verslavingsdeskundigen, blowers, coffeeshopondernemers en politici zijn verontwaardigd en halen elkaar links en rechts in met superlatieven over de domheid van deze beslissing. Critici vinden de maatregel onnodig en onuitvoerbaar. Ook is er geen wetenschappelijke kennis die de effectiviteit ervan garandeert.

De verslavingszorg stelt terecht dat de maatregel voorbij gaat aan het zelfregulerend vermogen van de consument. Een onderzoek van het RIVM liet zien dat proefpersonen stopten met blowen als ze het gevoel hadden dat het effect te sterk werd. Bij minder sterke wiet gebruik je dus gewoon méér voor een vergelijkbaar effect. Bovendien blijkt uit ander onderzoek dat niet alleen THC bepalend is voor het effect. De rol van andere werkzame bestanddelen zoals cannabidiol (CBD) is lange tijd onderschat. CBD vermindert de werking van THC en heeft een dempend effect op angsten en andere negatieve gevoelens. Bij geïmporteerde hasj is het THC-gehalte vrij hoog, maar dat gaat samen met een relatief hoog CBD-gehalte. Daardoor heeft het roken van hasj een ander effect dan het roken van veel wietsoorten die nu in coffeeshops over de toonbank gaan. Daarvan is het CBD-gehalte naar verhouding laag.

Controle van de samenstelling en kwaliteit van wiet is hard nodig. Het is niet de taak van de coffeeshop-inkoper of de politie om toezicht te houden op de kwaliteit van de wiet. Een kroegbaas controleert toch ook niet de kwaliteit van de geleverde alcoholische dranken? Daar hebben we een overheid voor! Die hoort de kwaliteit van voedsel en drank in de gaten te houden.

Het is trouwens nog een hele toer om de illegaal aangeleverde wiet te controleren op het THC-gehalte. Dat kan alleen maar in een laboratorium en zelfs dan – zo laat Europees vergelijkingsonderzoek zien – laat de betrouwbaarheid van de tests te wensen over. Beter zou zijn de productie aan een gecertificeerde tuinder over te laten, die van tevoren vrij exact kan bepalen hoe zwaar de wiet zal worden.

Het zou goed kunnen dat we de beslissing van onze minister van Volksgezondheid op een heel andere manier moeten beoordelen. Misschien is de 15 procent-maatregel strategisch gezien juist wel een heel slimme beslissing. Zij weet immers heel goed dat haar wens om grip te krijgen op de samenstelling en kwaliteit van de wiet alleen maar mogelijk is bij een gereguleerde achterdeur.

Dit kabinet heeft een patent op maatregelen waarvan de justitiële haalbaarheid, handhaafbaarheid, wetenschappelijke onderbouwing en effectiviteit ontbreken. Er worden maatregelen bedacht voor problemen die er niet zijn en de echte problemen worden niet aangepakt. Hoewel alles erop wijst dat een wietpas, een afstandscriterium en het verbieden van sterke wiet geen oplossing zijn voor bestaande problemen, worden deze symbolische maatregelen toch doorgevoerd. Het is bizar dat het advies van deskundigen om de achterdeur te reguleren met een vals beroep op internationale verdragen krampachtig wordt genegeerd. De nieuwe maatregelen drijven veel blowers in handen van de straathandel en andere illegale adressen. Dat is zorgwekkend.

De VVD en de PVV doen voorkomen alsof zij de het voortbestaan van de coffeeshop nog steeds willen waarborgen. In werkelijkheid durven ze de problemen rondom coffeeshops niet structureel aan te pakken en leggen ze langzaam maar zeker de strop om de hals van de coffeeshop. Dan tonen de christelijke partijen die er openlijk voor uit komen dat ze tegen coffeeshops zijn nog meer moed.

Ik neem aan dat Edith Schippers en haar collega-ministers heel goed weten dat de voorgenomen maatregelen de positie van de coffeeshop onhoudbaar maken. Als de overheid werkelijk grip wil krijgen op de samenstelling van cannabisproducten, dan moet ze het volksgezondheidsperspectief opnieuw als uitgangspunt voor het drugsbeleid nemen en de problematiek met een andere bril op bekijken. De commissie Van de Donk meende vanuit dat perspectief dat het nodig is om experimenten te doen met het reguleren van de achterdeur van coffeeshops.

Stelt u zich eens voor dat de cannabis in de coffeeshop op een vergelijkbare manier zou worden geproduceerd zoals we dat nu met de medicinale wiet doen. In dat geval kan de overheid grip krijgen op de samenstelling van het product en de criminaliteit rondom de teelt en de aanvoer van cannabisproducten naar de coffeeshop. Het zou van grote moed getuigen als de overheid deze stap zou durven te nemen.

Nicole Maalsté is onderzoeker aan de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur en auteur van het boek ‘Polderwiet’ (2007).