Mossel tussen de schildpadden

Mevrouw Mossel steekt een stuk cake in haar mond. Ze werd vierentachtig vandaag en wat haar betreft mag het leven nog wel even duren. Al die ouderen die maar dood willen, daar snapt ze niks van. Leven wil ze. Al moet het liggend in een luier. Want dood is dood, filosofeert ze, en daar zit niemand op te wachten. Ze kijkt naar haar verjaardagsgasten, dommelend achter hun plakjes cake. Ze is de hele verdieping langsgegaan. Omdat je een verjaardag niet alleen hoort te vieren. Dit slaperige groepje is haar oogst. En ik natuurlijk, haar onuitgenodigde gast.

Toen ik net tegenover haar ging zitten wist ik even niet wat ik moest zeggen. Het bleek geen enkel probleem. Mevrouw Mossel praat voor twee. Ze vertelt over haar twintigste verjaardag. Ze verzamelde al haar vrienden die avond, danste de hele nacht. Ze tikt op de arm van de mevrouw naast haar. Hé Margreet gaan wij zo nog dansen? Margreet glimlacht naar niemand in het bijzonder en schudt haar hoofd.
Geeft niet, zegt mevrouw Mossel zacht. Als ze niet zo pittig uit haar ogen had gekeken, had ik nu misschien mijn hand op de hare gelegd, iets vriendelijks gezegd.

Waarschijnlijk ziet mevrouw Mossel mijn meewarige blik. En die bevalt haar niet.
Ze vraagt hoe oud ik ben. Dertig? Ze kijkt me medelijdend aan.
Vanaf je twintigste gaat het bergafwaarts, zegt ze. Ik leg mijn vork neer. Ik had gehoopt dat ze mij een groen blaadje zou vinden. Stiekem is dat wat ik altijd zo prettig vind aan oude mensen. Het gevoel jong te zijn.
Maar mevrouw Mossel leent zich daar niet voor. Ze wijst naast mijn rechteroog. Kijk maar, zegt ze, kraaienpoten. Ik sputter tegen maar ze wuift mijn woorden weg. Meid, vanaf nu wordt alles erger.
Ik vraag me af of zij zich beter voelt als ze dit zegt. Minder alleen misschien.
Zoveel schelen wij niet, gaat mevrouw Mossel verder. Vierenvijftig jaar is zo voorbij. Je denkt dat het niet gebeurd. En dan pats! (ze slaat met haar hand tegen de rolstoel van Margreet), ben je bejaard!
Ik zeg dat ze er boos uitziet voor iemand die jarig is. Dat ben ik ook, antwoordt ze. Want dit is niks voor mij. Hier zitten. Ik ben jong, ik heb plannen. Maar toevallig werkt mijn lijf niet meer mee. Nou, dan heb je een probleem. Dan word je tussen de schildpadden gezet.

In een opwelling stel ik voor naar buiten te gaan. De stad in. Shoppen, koffie, wat ze maar wil. Mevrouw Mossel begint te stralen. Snel graait ze de tas die bij haar voeten staat. We gaan!
Nog voor we door de klapdeur zijn verspert een kordate verpleegster ons de weg.
Ze kijkt me argwanend aan, vraagt waar ik mevrouw mee naartoe neem. Ze is jarig, zeg ik, en ze wil graag naar buiten.
De verpleegster knikt. Ze is ook bejaard, zegt ze kalm, en slecht ter been. Mevrouw Mossel schudt haar hoofd. Ik kan prima lopen.
Maar de verpleegster kijkt naar mij. Hoe kom ik hier binnen? wil ze weten. Ik zeg dat ik mevrouw hier achter de cake zag zitten, dat ik onuitgenodigd feestjes afga. De verpleegster trekt mevrouw Mossel zachtjes bij mij weg. U gaat nu slapen, zegt ze. En u kunt beter vertrekken, bijt ze me toe.

Mevrouw Mossel staat midden in de lift. Haar woedende blik op mij gericht. De deur sluit. Ik draai me om. De hele weg naar huis galmt haar stem door mijn hoofd.
Zoveel schelen wij niet.