Vergroenen of verzuipen – de boer moet kiezen

Komende week komt Brussel met een nieuwe verdeling van de subsidiepot voor de Europese landbouw. De zwaar gesubsidieerde Nederlandse boer moet aanpassen of inleveren.

Nederlandse boeren behoren tot de best gesubsidieerde boeren van Europa. Een Nederlandse hectare landbouwgrond krijgt ruim twee keer zoveel subsidie als een Poolse hectare. Dat is historisch zo gegroeid. In de eerste plaats omdat landen als Polen en Roemenië nog niet meededen toen de huidige verdeelsleutels in elkaar werden geknutseld. Maar ook omdat de grond in Nederland tien maal duurder is dan die in Polen en omdat de kosten hoger zijn.

Komende week komt de Europese Commissie met voorstellen die daar vanaf 2014 verandering in brengen. Op den duur moeten die leiden tot een duurzaam en groen landbouwbeleid en stabiele voedselprijzen. Maar voorlopig gaat het vooral om het herverdelen van de subsidiepot en zullen de oude lidstaten en de nieuwe recht tegenover elkaar staan. Meer geld uitgeven is geen optie, want de landbouwbegroting zal worden bevroren op het huidige niveau van iets meer dan 50 miljard euro.

De Nederlandse boer zal onherroepelijk moeten inleveren. Op dit moment ontvangt de Nederlandse landbouw jaarlijks zo’n 1,2 miljard euro uit de Brusselse pot. Als de voorstellen van de Commissie worden aangenomen, en de verhoudingen binnen Europa wat worden rechtgetrokken zal Nederland er op zijn minst enkele tientallen miljoen op achteruit gaan. Misschien ook meer.

Het politieke gevecht begint volgende week. Niet alleen tussen de lidstaten onderling, maar ook in het Europees Parlement dat zich – volgens het verdrag van Lissabon – voor het eerst mag uitspreken. Met al deze spelers zal de besluitvorming grote Europese evenwichtskunst vereisen. Eind 2013 moet alles zijn uitonderhandeld, zodat het nieuwe landbouwbeleid kan worden ingevoerd als onderdeel van de Europese begroting 2014-2020.

Om een idee te geven: het overgrote deel van het Europese landbouwgeld voor Nederland bestaat uit de directe betalingen die zijn terug te voeren op de productie van granen, suiker, zetmeel en zuivel. De productie was de maat. In 2003 is deze subsidie losgekoppeld van de directe productie, en ten gunste gekomen van het bedrijf. Dus wie in 2002 graan produceerde en daarvoor een directe inkomenssteun ontving, bleef dat bedrag ontvangen, maar kon het ook inzetten voor andere gewassen.

Deze verschuiving van product naar grond wordt in het voorstel van de Commissie definitief verankerd met een basispremie voor elke hectare landbouwgrond. Zeventig procent van die basispremie zou direct naar de boer gaan, dertig procent zou hij nog moeten bijverdienen door middel van ‘vergroening’. „Tweemaal zingen voor hetzelfde geld”, vindt LTO-bestuurder Jaap Haanstra dat. De boeren zullen zich flink moeten aanpassen om hun steun te houden en sommige vrezen dat er per saldo veel minder overblijft.

Onder vergroening zouden zaken vallen als als verplichte vruchtwisseling en braaklegging. Maar braak is volgens Haanstra in deze tijd van voedseltekorten in de wereld onzinnig. Ook de verplichte vruchtwisseling stuit op bezwaren. Het drieslagstelsel met jaarlijks wisselende gewassen bestaat immers al sinds de Middeleeuwen. En waar dat niet het geval is, is er een goede reden voor. Een boer op Cyprus gaat zijn honderdjaar oude olijfgaard niet rooien om aan de Europese vruchtwisselingseisen te voldoen.

De politiek zal groteske voorbeelden de komende tijd niet schuwen. Londen wil het liefst helemaal van het gemeenschappelijk landbouwbeleid af. Nederland, dat samen met Denemarken en Italië het meest te verliezen heeft omdat het relatief veel steun krijgt, wil wel hervormen, als het maar niet te veel kost. Frankrijk wil het liefst alles laten zoals het is. President Sarkozy rekent daarbij op de steun van landbouwcommissaris Dacian Ciolos, die weliswaar Roemeen is, maar in Franse ogen toch ook een beetje Frans omdat hij in Frankrijk heeft gestudeerd. Dat zou Frankrijk twee stemmen brengen binnen de Europese Commissie.