Taalfouten, wat schattig

The sign of a shop displays incorrect english translations in Shanghai on August 25, 2009. The Shanghai government, along with neighbouring Jiangsu and Zhejiang provinces, published a 20-page guide book on August 2009 to standardise signs and eliminate notoriously bad, and sometimes amusing, English translations. AFP PHOTO / PHILIPPE LOPEZ AFP

Bij het Centraal Station in Amsterdam zat een bebaarde bedelaar met een soort tafeltje voor zich, een met vragende teksten beschreven doos, waarop hij kennelijk graag geld gestort zag. Nu is de omgeving van het CS in Amsterdam iets om snel, zonder veel opletten doorheen te lopen. Daardoor drong pas straten later tot het bewustzijn door dat er ‘Hungary’ op de doos geschreven stond. In plaats van hungry, mag je dan aannemen. Iemand wil ‘honger’ schrijven en schrijft ‘Hongarije’; het was, de situatie ten spijt, goed voor een ontroerde grijns die zich van oor tot oor en bijna van station tot huis uitstrekte.

Volgende dag, zelfde verhaal. Bebaarde bedelaar, beschreven doos, de dames en heren homunculi in het hoofd zo met andere dingen bezig dat weer pas een eind verder doordrong: er stond nu, of er stond óók, ‘Hongarije’ op de doos – in het Nederlands. Inzamelingsactie voor Hongarije? Bedelaar tweetalig door grapjas bedot? Meer onderzoek was nodig, maar gebrek aan kleingeld (echt) maakte teruglopen en uitgebreid staren extra ongepast. Toch voegde zich, bij de vrolijke ontroering, lust tot helpen.

In de brievenbus lag vervolgens een folder van de nieuwe Chinese massagesalon. Met heerlijk onjuist spatiegebruik en meer fijne taalfouten: ‘Door combineren van drukken, wrijven en alle andere handelingen op juiste gebieden, wordt er niet alleen spierenpijn verlicht, maar ook de energie balance binnen uw lichaam hersteld. Met als einde resultaat, verlichte mogelijke spierklachten en ontspannende geest. [...] Een lekker kopje thee is altijd wacht op u!’

En ja hoor, weer die ontroerde hulplust. Moest de Chinees niet van AW-wege een gratis betere vertaling aangeboden krijgen? Ook al omdat je masseurs altijd te vriend moet houden (zeker de Chinese, die zijn nogal hardhandig)?

Maar de dames en heren homunculi in het hoofd concludeerden al snel: slecht idee. Chinese massagesalons zijn meestal goedkoper van prijslijst en inrichting dan gelikte strakke stadsspa’s. Wie gelokt door een folder in ronkende volzinnen bij een Chinese salon aankomt, kan zich daar weleens te chic voor voelen. In feite is het (al dan niet via het Engels) vertaald Chinees een specifiek soort Nederlands, een dialect, dat in dit geval perfect de aandoenlijkheid van de salon adverteert.

Maar hoe? Dat is waar het hier vandaag om gaat. Waarom zijn taalfouten schattig? En wannéér zijn ze schattig, want ze zijn ook vaak grappig of – voor sommigen – woedewekkend. Probeer het zelf: stuur collega’s een mail waarin u iets te koop aanbiedt, zet er ‘verkeerd in goede staat’ in en zie uw inbox vollopen met hoongelach en vitriool. Zeg dan dat het een experiment was. De kans bestaat dat dat niet helpt en dat uw status blijvend is gedaald. Dan kunt u nog slechts dit artikel tonen en er verder het beste van hopen.

Het dalen van status, daarin zit ’m inderdaad de crux, als we de wetenschappelijke literatuur goed interpreteren. Het was te verwachten. Gehoopt werd nog dat taalfouten aan heel jonge kinderen doen denken en via die sympathieke weg ontroerde hulplust opwekken. Maar nee, het schaarse onderzoek lijkt onverbiddelijk: accenten en taalfouten voeden discriminatie en vooroordelen, volwassen hersenen herkennen een dialectwisseling in milliseconden, baby’s van twee dagen oud prefereren hun moedertaal al boven een andere.

Niet dat het dan al racistische monsters zijn; het experiment dat Amerikaanse psychologen in 1993 beschreven in Infant Behavior and Development ging in feite over hoop. Hongerige baby’s van Engels- en Spaanstalige moeders bleven langer aan een nepborst zuigen ( nonnutritive sucking noemden de onderzoekers dit) als ze tegelijkertijd hun eigen taal hoorden spreken.

Wie de eigen taal niet goed spreekt en schrijft, is anders; dat is vanaf jonge leeftijd duidelijk. Dat hoeft niet direct ‘gevaarlijk’ te betekenen, voor wie geen baby meer is, maar eerder ‘onwetend’.

Dat kan vervelend uitpakken, betoogt een Engelse taalwetenschapper met de poëtische naam John Flowerdew (onder meer in het Journal of English for Academic Purposes, 2008). In sommige wetenschapsgebieden zijn native Engelstaligen in de minderheid, schrijft hij, maar worden non-natives die in internationale tijdschriften willen publiceren toch gestigmatiseerd. Hij beschrijft een Chinese onderzoeker die de taalhulp die hij kreeg zo wanhopig geheim wilde houden, dat hij slechts razendsnel discrete bruine enveloppen met zijn leraar wilde uitwisselen op het station. Een echte ontmoeting zou reputatieschade kunnen opleveren.

Waarom willen we dan ook zo nodig dat standaard-Engels dé wetenschapstaal is, verzucht Flowerdew, waarom streven we niet slechts naar begrijpelijk Engels? Maar ook dat klinkt aandoenlijk; dat gaat vast niet gebeuren, als taal macht is. Wie een taal niet goed spreekt en er wel iets in wil, heeft maar twee keuzes: hard studeren of strategisch schattig zijn.

Of, o ja, hopen op humor – dat kan ook nog. In 2007 beschreven Canadese en Amerikaanse psychologen in het tijdschrift Emotion hun onderzoek naar verschillende dialecten in emotionele gezichtsuitdrukkingen – ja, die bestaan. Terzijde vertelden ze de volgende anekdote. Een vrouw met een Frans accent was per cruiseschip in de Verenigde Staten aangekomen. Mooie wollen trui, zei de vriendin die haar verwelkomde. Dank je, zei de vrouw. “I have knit it on the sheep.”