Sinaasappel verdringt appelsien uit Nederland

Nicoline van der Sijs (red.) Dialectatlas van het Nederlands. Prometheus. blz., €

Dialectonderzoekers doen niets liever dan kaartjes tekenen. Waar in Nederland spreken ze met de zachte g en waar met de harde? Waar zeggen ze ‘spijkerbroek’, waar ‘spijkerboks’ en waar ‘jeans’?

Veel van die kaartjes zijn voor de leek moeilijk te lezen, omdat er soms wel twintig verschillende varianten op staan aangegeven met ieder zijn eigen symbooltje. Daarom is het goed dat er nu een boek is waarin 150 van die kaartjes zo bewerkt zijn dat ook het grote publiek ervan kan genieten.

Mooie, overzichtelijke kaartjes zijn het geworden. Ieder kaartje is voorzien van een uitgebreide toelichting. Allerlei bekende dialectkwesties komen voorbij. Waar zegt men ‘Toon wast zich’, waar ‘Toon wast z’n eigen’ en waar is het ‘Toon wast hem’?

Op het kaartje over hoe men ‘groter dan’ zegt in de dialecten van het Nederlands, zie je in één oogopslag dat het in bijna alle dialecten ‘groter als’ is. Alleen in het westen van Vlaanderen zegt men liever iets anders, namelijk ‘groter of’.

Ook minder bekende maar daarom niet minder intrigerende zaken worden in beeld gebracht. Het lidwoord ‘een’ heeft in sommige delen van Nederland een mannelijke, een vrouwelijke én een onzijdige vorm (bijvoorbeeld: ne man, ’n vrouw, e kind). En in sommige dialecten zeggen ze niet ‘Wie denk je dat ik in de stad heb gezien?’ maar ‘Wie denk je wie ik in de stad heb gezien?’

Elk kaartje is anders. De grenzen tussen de verschillende varianten van een klank, een woord of een zinsconstructie vallen bijna nooit samen met de grenzen tussen veronderstelde dialectgroepen zoals ‘het Limburgs’ of ‘het Gronings’. Aan een goede, wetenschappelijk onderbouwde indeling in dialectgroepen wordt trouwens al meer dan een eeuw gewerkt, met telkens andere resultaten. Nu eens werden er in het Nederlandse taalgebied 6 dialectgroepen onderscheiden, dan weer 28 of 8. Vroeger zag men het liefst de vroege geschiedenis van Nederland door die kaartjes heen schemeren: de huidige dialectverschillen zouden teruggaan op taalverschillen tussen de Franken, de Saksen en de Friezen.

Tegenwoordig spreekt men graag over ‘streektalen’, die beschermd dienen te worden, zoals ‘het Limburgs’ en ‘het Nedersaksisch’ (de dialecten van Oost- en Noord-Nederland). Maar wie al die kaartjes bekijkt en naast elkaar legt, ziet dat er geen duidelijk omlijnde streektalen zijn. Met als enige uitzondering, misschien, het Fries.

Bij de meeste kaartjes valt wel een interessant verhaal te vertellen. Er is bijvoorbeeld één groot aaneengesloten gebied waarin men ‘sinaasappel’ zegt. Daaromheen liggen kleinere gebieden, die niet met elkaar verbonden zijn, waar men ‘appelsien’ zegt. De dialectoloog concludeert uit dat geografische patroon dat ‘appelsien’ de oudste vorm is, die langzaam door de nieuwere vorm (‘sinaasappel’) wordt verdrongen.

Dat dialecten steeds weer veranderen en dat soms ook in tegengestelde richtingen doen, is mooi te zien op een kaartje over de varianten ‘ik ben gekomen’ en ‘ik ben komen’. In Noord-Nederland zei men in de veertiende eeuw op veel plaatsen ‘ick ben ghecomen’ en is het nu overal ‘ik ben komen’. Onder de rivieren is het precies andersom: daar zei men zes eeuwen geleden ‘ick ben comen’ en is het nu overal ‘ik ben gekomen’.

Berthold van Maris