Prijzen en kritiseren

Veel samenlevingen draaien op materieel gewin en eergevoel. Prijzen en vergelijkbare lofuitingen zijn vaak de brug tussen het verlangen naar stoffelijke én geestelijke rijkdom.

Of het nu gaat om een debutantenprijs voor jonge dichters, een Nobelprijs voor gevestigde fysici of een andere prijs, de selectie en de toekenning ervan zijn het moment waarop de stand van zaken in de literatuur of wetenschap even wordt gecondenseerd. De jury moet zoeken naar een evenwichtig oordeel voor de laudatio. De laureaat springt een gat in de lucht. En het publiek weet wat belangrijk is en waarom. Ongeacht of het democratisch of autoritair wordt geregeerd.

Zo heeft Nederland zijn Erasmus- en Spinozaprijs. In de VS regent het awards binnen en buiten het terrein van de entertainment. De Sovjet-Unie had haar Leninprijs, Rusland heeft een Staatsprijs en een Orde van Eer. China kent een Staatsprijs voor Wetenschap & Technologie en heeft nu zijn eigen Confucius Vredesprijs.

Die laatste is onmiskenbaar een reactie op de Nobelprijs voor de Vrede die in 2010 werd toegekend aan de Chinese dissident Liu Xiaobo. Tot ongenoegen van de communistische autoriteiten in Peking, die de vrede nu „uit Aziatisch perspectief” willen jureren.

Alle nationale staten en internationale organisaties spiegelen zich aan de Nobelprijzen, die dit jaar voor de 110de keer zijn of worden toegekend. Vaak hebben die Nobelprijzen een politieke lading gehad, zeker die voor de Vrede, Literatuur en ook Economie.

Met de keuze voor de Zweedse dichter Tomas Tranströmer heeft de literaire Nobelprijs dit jaar geen politieke subtekst. Maar soms is dat wel het geval. Denk bijvoorbeeld aan Harold Pinter (2005), Pablo Neruda (1971), Aleksandr Solzjenitsyn (1970) en Winston Churchill (1953).

De Nobelprijs voor de Vrede heeft bijna altijd een politieke connotatie, zeker als die wordt toegekend aan iemand die niet zijn hele leven heeft gewijd aan maatschappelijk of politiek werk. Een treffend voorbeeld is de Russische natuurkundige Andrej Sacharov die als kernfysicus in eigen land zes keer werd geëerd (onder meer met de Leninprijs), maar als mensenrechtenactivist in 1975 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. De prijs is dan een tik op de neus van autoritaire regimes.

Dat is niet altijd zo. Dit jaar is de toekenning aan de Liberiaanse presidente Ellen Johnson-Sirleaf, haar landgenote Leymah Gbowee en de Jemenitische Tawakul Karman bedoeld als inspiratiebron voor vrouwen die in Afrika, de Arabische wereld en elders ijveren voor gelijke rechten. Die (derde) feministische golf in de moderne geschiedenis heeft steun nodig. De Nobelprijs geeft die nu.

Niet alleen omwille van de gelijkwaardigheid tussen de seksen, maar vooral omdat er een algemeen belang mee is gediend. Duurzame democratie en vrede blijven fata morgana’s als vrouwen niet net zoveel maatschappelijke invloed kunnen uitoefenen als mannen, stelde het Noorse Nobelcomité terecht vast. Met vrouwen wordt er ook oorlog gevoerd, maar zonder vrouwen vaker. Wie aan Afghanistan denkt, heeft weinig bewijsvoering nodig.

Dat wil niet zeggen dat de Nobelprijs voor de Vrede het verschil maakt. Van veel mensen en organisaties hoorden we naderhand weinig. Soms was de prijs een gotspe. In 1973 werden Kissinger en Le Duc Tho geëerd. De Vietnamoorlog ging nog twee jaar door.

Datzelfde gold weleens voor de Nobelprijs voor Economie, die dit jaar maandag wordt toegekend. In 1997 werd de prijs uitgereikt aan twee economen die er kennelijk in waren geslaagd de waarde van financiële derivaten te bepalen. Derivaten leken een innovatie. Elf jaar later bleken ze de financiële wereld te ondermijnen, met een bankencrisis en een staatsschuldencrisis als gevolg.

Alle scepsis en cynisme ten spijt, de Nobelprijs en andere awards zijn waardevol als vorm van maatschappelijke erkenning. Talloze vrouwen zullen zich nu spiegelen aan Sirleaf, Gbowee en Karman. Hoe het in Afrika en het Midden-Oosten ook afloopt, dat gevoel van erkenning en kracht kan niet worden afgenomen.