P.F. Thomése Mijn reizen door cyberspace - over moderne vergetelheid

Het dromenlabyrint dat we internet noemen verliest zijn bijzonderheid, merkt P.F. Thomése op.

Terwijl ik dit zit te tikken, weet ik dat achter deze keurige woorden op het beeldscherm een vulkaan aan beelden en teksten borrelt, gereed om uit te barsten en zijn inhoud zonder onderscheid of hiërarchie over mijn beeldscherm uit te braken. Gruweldaden, oeroude copulaties, teksten van Roland Barthes, geraaskal van psychopaten, briljante doelpunten, onbekende filmpjes waarop de Beatles nog bij elkaar zijn, etc. Enfin, iedereen kent de ondoorgrondelijke wegen van Google en YouTube. Het vreemdst is nog de vertrouwdheid waarmee wij ons een weg banen door dit magische wasteland van miljarden websites, losgezongen kreten en virtuele identiteiten.

De uitvinding van internet is ongetwijfeld de meest wonderbaarlijke uitvinding waar ik in mijn leven getuige van heb mogen zijn, veel indrukwekkender dan de Spoetniks en de Apollo’s en de Voyagers waarmee de onvoorstelbare ruimte werd ontgonnen en tot iets concreets werd gemaakt, iets waar je op televisie naar kon gaan zitten kijken.

Het met ruimteschepen doorkruiste heelal biedt slechts duistere verlatenheid, tot in de verste uithoeken ervan heerst een diepe dood. Het vertegenwoordigt het barre tegendeel van de metropolitane wereld van cyberspace, waar de wonderen en de gruwelen elkaar verdringen en waar verveling en vertier om voorrang strijden. De oneindige ruimte van internet is een dromenlabyrint waar je alleen uit ontwaakt om met open ogen verder te slapen.

Ik ben wat hoogdravend, maar dat komt doordat de banaliteit van het dagelijks gebruik het zicht dreigt weg te nemen op dit fabelachtige fenomeen.

Een machine waarin alles aanwezig is: als het niet bestond, zou het sciencefiction zijn. Of een voorbeeld uit het schimmenrijk van de neoplatoonse filosofie. Iets wat met de realiteit weinig heeft uit te staan in elk geval. Het is niet te bevatten, als je tot je laat doordringen dat alle huishoudens op de dwaalwereld van cyberspace zijn aangesloten. De encyclopedische weerspiegeling van alles in alles, de hele rataplan komt vrijwel gratis bij de mensen thuis, met alle mogelijke emanaties en revelaties in het verschiet, en toch moet je nuchter constateren dat men er zo verdomd gewoon onder is gebleven.

Als het wonder zich voltrokken heeft, wordt het snel realiteit en neemt het de grauwheid aan van de omgeving waarin het terechtgekomen is. Wat dat betreft krijg ik heimwee naar de tijd dat het internet nog niet bestond en er over iets dergelijks enkel gedroomd kon worden.

Zodra iets er is, ziet niemand het meer. Sinds de wonderen hun heiligheid hebben verloren en iedereen ze mag aanraken, zijn ze niets meer waard. Er is afstand nodig om te kunnen dromen. Het verlangen kan alleen in feitelijke onbereikbaarheden worden gemeten, zoals de ruimte van het heelal in lichtjaren wordt uitgelegd.

De Aleph

De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986) begreep dit al voordat de pc was uitgevonden, laat staan dat er toen al over internetaansluitingen was nagedacht.

In zijn verhaal De Aleph uit 1945 roept hij een visioen op dat ons vertrouwder voorkomt dan hij had kunnen bevroeden. Maar het beeld dat hij oproept is tegelijk ook poëtischer en mythischer dan wij ons als geroutineerde, snel verveelde sitesurfers nog kunnen voorstellen.

Met orfisch verdriet herlees ik het verhaal dat me confronteert met een ideaal dat tweedehands is geworden en nu bij wijze van spreken op een vergeten terrein staat weg te roesten als een oude Spoetnik of een uitgediende Space Voyager.

Kom, goddelijke blinde, leid ons terug naar de toekomst, leer ons weer in lichtjaren te dromen.

Net als Dante in Paradiso staande voor God, verontschuldigt Borges zich vlak voor het moment suprême, de onthulling van het geheim, voor de onhandigheid van zijn woorden, die bij voorbaat ontoereikend zullen zijn, aangezien ze vastzitten in de tijd en ertoe veroordeeld zijn elkaar als kettinggangers op te volgen, terwijl het inzicht hem in een flits van gelijktijdigheid geopenbaard gaat worden.

Wie het overigens zelf wil nalezen, kan doorklikken op ‘links’ en ‘literature’ op www.phinnweb.org, waar een Engelse vertaling gratis en naamloos als een oude krant door cyberspace dwarrelt.

We bevinden ons (voor wie ingeschakeld wil blijven) virtueel in een kelder ergens in Buenos Aires, om precies te zijn in de Calle Garay in het huis van ene Carlos Argentino Daneri, neef van Borges’ geliefde Beatriz, die dood is en onbereikbaar, dus niet meer opneemt wanneer je haar belt. Als je het toch doet, krijg je die neef aan de lijn, wat toch iets anders is.

Terwijl Borges in een soort post-erotische rouwverwerking de hele tijd aan Beatriz, of Elena of hoe ze ook heet, moet denken, wil de neef hem iets laten zien. Deze neef werkt overigens aan een encyclopedisch gedicht waarin „de gehele oppervlakte van de planeet” in alexandrijnen wordt overgebracht. „In 1941 had hij al enige hectares van de staat Queensland afgewerkt, meer dan een kilometer van de loop van de Ob, een gashouder ten noorden van Veracruz, de voornaamste handelszaken van de Onbevlekte Ontvangenis, het buitenhuis van Mariana Cambaceres de Alvear in Belgrano, en een inrichting voor Turkse baden, niet ver van het bekende aquarium van Brighton.” Dat schiet niet op.

Hoe onmachtig zijn de omwegen van deze trage schrijfpen vergeleken met het opflitsende wonder dat de neef in zijn kelder verborgen weet.

Het ding, want dat is het, bevindt zich onderaan de keldertrap, onder de negentiende trede van bovenaf, legt de neef uit. De keldervloer is niet breder dan de trap. Een put, meer is het feitelijk niet. Hij moet er gaan liggen om het te kunnen zien, het gaat net. De neef sluit het luik, Borges ligt daar, en moet zijn ogen laten wennen aan de complete duisternis. De angst schiet door hem heen dat de neef hem een loer heeft gedraaid, dat hij levend begraven wordt. Net als in een verhaal van Edgar Allen Poe. Hij sluit zijn ogen, als een stervende, als een dromer, opent ze en dan ziet hij het. De Aleph.

Het is een kleine bol. Borges wordt haast verblind door een vrijwel ondraaglijke schittering. „De doorsnede van de Aleph was misschien twee of drie centimeter [niet groter dan het schermpje van een smartphone, PFTh], maar de kosmische ruimte was daar te zien in heel zijn omvang. Elk ding (…) was oneindig veel dingen, want ik zag het duidelijk vanuit alle punten van het heelal. Ik zag...”

En na een uitputtende opsomming van van alles en nog wat (waaronder zijn verdwenen geliefde, maar ook haar uitgebeende resten, het binnenste van zijn eigen ingewanden, en ook het gezicht van degene die deze regels leest) barst hij in huilen uit, „omdat mijn ogen dat geheime, slechts bij vergissing bestaande object hadden gezien, waarvan de naam wederrechtelijk door de mensen gebruikt wordt, maar dat geen mens heeft aanschouwd: het onbegrijpelijke heelal”.

En Borges voelde, vanuit dat goddelijke perspectief in die grafgelijke kelder, „oneindige verering, oneindige deernis”. Nu wordt ook het Shakespeare-motto dat het verhaal voorafgaat, duidelijk: „O God, I could be bounded in a nutshell and count myself a King of infinite space.” (Hamlet, II, 2)

O God! Mijn God!

Alles weten, is ook van alles het einde weten.

Droevige almacht

Deze vererende, deerniswekkende almacht lijkt inmiddels ieders deel te zijn. Wij allen zijn toeschouwers geworden die op een beeldschermpje ons eigen leven gadeslaan. Iedereen beschikt over het goddelijke perspectief. Alephs all over and every man a king! Wij allen zijn de demiurgen van onze eigen schepping geworden.

Op de zolders van vinexwoningen, in studentenkamers, vanaf smartphones in de forenzentreinen, in alle geregistreerde notendoppen van onze burgerlijke samenleving heersen zelfgekroonde Koningen van de Oneindige Ruimte. Onder hun vingertoppen is het hele universum op afroep on display.

Daarom is mijn verbazing zo groot. Is dit het? Is dit alles? Deze krankzinnige kermis van ongecheckte feiten? Alles kun je te weten komen, maar wat kom je te weten? Bij het reizen door cyberspace treedt al snel die toeristische verveling op die je ook kent wanneer je door een vakantiestad slentert die verdomd veel op de beschrijving in de reisgids lijkt, met opsommingen van dat bedrieglijke nut waar men bij nader inzien niets aan heeft. „Dit gebouw dateert uit 1574.” „Visserij is een belangrijke bron van inkomsten voor de plaatselijke bevolking.” „Het leven speelt zich ’s avonds hoofdzakelijk af op en rond dit plein, dat door keizer Maximiliaan ooit het mooiste van Europa werd genoemd.”

Op een gegeven moment geloof je het wel en wil je rustig op je hotelkamer een van thuis meegebracht boek lezen.

Zo kan ik, in mijn ruimteschip rondkoersend tussen het virtuele zwerfvuil, opeens heftig verlangen naar de lonkende orde van mijn eigen tekst. Zoals nu, nu ik dit schrijf.

Je ziet op het internet voortdurend dat de deelnemers het liefst zelf schrijven. Zelf het middelpunt zijn van dit onuitputtelijke universum. Die aanwezigheidsdrang, zeg maar gerust aanwezigheidsmanie verklaart ook de krankzinnige accumulatie van ‘informatie’. Iedereen schept zijn eigen helderheid, ieder hecht aan zijn eigen statements in dit uitdijend heelal vol uit hun baan geslingerde meteoren.

De horizontaliteit, gelijktijdigheid, gelijkvloersheid van de informatie op internet, de dictatoriale democratie van elke stem die er één is, gaat op den duur tegenstaan. De domheid die niet meer te deleten valt, en die voorgoed, onuitwisbaar, door cyberspace daast. Want de informatie gaat er wel in, maar er niet meer uit. Eens gepost, altijd gepost. Vergelijk dit eens met de strenge hiërarchie, de steile verticaliteit van de bibliotheek.

De ultieme gelijkheid. One size fits all. Hoe stel je dan nog waarde en betekenis vast? Torrents, streams. Het is er, je hoeft er maar in te stappen, en het beweegt. Het staat stil – en het beweegt, maakt niet uit. Belangrijkheid en onbelangrijkheid worden inwisselbare begrippen.

In die zin gaat de cultuur steeds meer op de natuur lijken. In de natuur bestaan ook geen waarden. Er bestaan behoeften, tekorten en dergelijke. Die worden meer of minder bevredigend opgelost. De dingen krijgen hun beloop.

De constante veroudering. Niets veroudert zo snel als de informatie op internet. Niet het verleden van oude tijdperken, maar het verleden van de krant van gisteren, die zoals bekend sneller veroudert dan de ruïnes van Rome. Op internet wordt de informatie alleen maar oud en nooit historisch. Dat komt doordat de context ontbreekt. Het historische veronderstelt samenhang, waarin de feiten hun plaats vinden – zodat ze eindelijk kunnen plaatsvinden.

In cyberspace blijft alles, ondanks alle links en hyperlinks, geïsoleerd. Voor Borges en zijn encyclopedische obsessie met volledigheid moet het internet een gruwel zijn geweest, ware hij niet net op tijd gestorven.

Al had het beeld van deze uitvinding hem wel bevallen, deze tijdelijkheidsmachine die eeuwigheid produceert totdat deze ons de strot uitkomt.

Het wezenskenmerk van deze door mensenhanden opgebouwde Toren van Babel is een bij uitstek menselijk kenmerk: onvolmaaktheid. Het is een toren die almaar in blijft storten, hoe ijverig er ook met vereende eenzaamheid aan wordt gebouwd.

Wat deze onvoorstelbare culturele investering oplevert, is een onafzienbare horizontaliteit van losse brokstukken, een eeuwig braakland van kersverse ruïnes, waar, zo schrijven de toeristengidsen ons voor, ‘het leven van de plaatselijke bevolking zich hoofdzakelijk afspeelt’.

Maar het is wel, daarin kunnen we keizer Maximiliaan gelijk geven, het mooiste plein van Europa. Wat zeg ik? Van de hele wereld. Met desnoods het heelal erbij. En nu zet ik mijn computer uit en ga ik op mijn hotelkamer verder in mijn boek lezen en dagdromen over wat niet voorhanden is.

P.F. Thomése is schrijver. Dit was het vierde en laatste deel van de Essays op locatie. Ze zijn na te lezen op www.thomese.nl/nieuws. Zijn roman ‘de Weldoener’ is genomineerd voor de AKO literatuurprijs 2011.