Jij die hier wilt gaan poepen, loop door

Archeologie De Romeinen hadden een grote beschaving, maar hun wc’s waren smerig en stonken.

Het heeft even geduurd, maar Romeinse toiletten zijn tegenwoordig een geaccepteerd wetenschappelijk onderwerp. Zie het net verschenen boek Roman Toilets: Their Archaeology and Cultural History. Daarin beschrijven internationale experts alles wat tot nu toe over het onderwerp bekend is: hoe de toiletten eruitzagen, hoe ze werkten, hoe het met de privacy zat, welke taboes er rond urineren en ontlasten waren en hoe hygiënisch de toiletten waren.

“Ruim twintig jaar geleden was het nog ver zoeken naar wetenschappelijke publicaties over het onderwerp”, zegt archeoloog Gemma Jansen van het Limburgs Museum in Venlo, een van de samenstellers van het boek. Daar kwam ze min of meer toevallig achter. “Voor mijn proefschrift, waarop ik in 2002 ben gepromoveerd, heb ik de watervoorziening in Herculaneum, Pompeii en Ostia onderzocht. Tijdens mijn onderzoek kreeg ik vanzelf ook met de toiletten te maken.”

Ze ontdekte dat in de achttiende eeuw de vroegste opgravers in steden als Pompeii al toiletten hadden opgegraven. Niet alleen de relatief bekende openbare toiletten – met een aantal stenen zittingen met een gat naast elkaar en een watergootje dat voor de voeten langsliep, waarin mensen een spons moesten dopen die als de Romeinse variant van wc-papier diende. Ze vond ook kleine hokjes met een gat boven een beerput in de privéhuizen. “Maar de meesten vermeldden hun vondsten niet. Ze vonden de Romeinse toiletten zo op ‘moderne’ toiletten lijken dat ze voor hen het vermelden niet waard waren. Of, wie weet, schaamden ze zich voor het onderwerp. De anderen herkenden de openbare toiletten niet – of wilden ze niet herkennen. Zij beschouwden ze als stoombaden of stoelen voor medische behandelingen.”

Wit marmer

Pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw vond het eerste serieuze onderzoek van Romeinse toiletten plaats. Niet door een archeoloog, maar een arts: de Deen Hølger Mygind, die meende dat de beschavingsgraad van een volk door zijn hygiënische standaard was te achterhalen. Na uitgebreid eigen onderzoek ter plekke van de toiletten en bijbehorende waterleidingen, goten en riolen in Pompeii concludeerde hij dat er vanuit esthetisch en hygiënisch oogpunt weinig lovenswaardig was aan het doorsnee Pompeijaanse privétoilet, dat afgeschermd door een schotje in de keuken was te vinden.

Haaks hierop staat het bij het grote publiek en nog veel archeologen bestaande beeld van de hygiënische Romeinen. Zij laten zich volgens Jansen misleiden door het feit dat de Romeinen in hun hele rijk openbare toiletten en baden hadden. Of ze laten zich verblinden door het stralende witte marmer van sommige bewaard gebleven openbare toiletten, zoals die in Ostia, de oude havenstad van Rome (tweede eeuw na Christus).

Die beeldvorming is met name tijdens de fascistische periode in Italië (1922-1945) ontstaan, zegt Jansen. “Onder Mussolini werden veel opgravingen gedaan om te laten zien van welk een groots en geciviliseerd volk de Italianen afstamden. In Ostia werd het openbare toilet in al zijn pracht en praal gerestaureerd, als bewijs van de hygiëne en het technisch vernuft van de Romeinen.”

In Roman Toilets wordt dat beeld gecorrigeerd. Jansen: “Tot nu toe zagen we de toiletten, de gootjes om de spons nat te maken, de afvoer naar het riool en dachten dan: het is er, dus het werkt. Niks is minder waar. Uit vondsten blijkt dat leidingen, goten en afvoeren vaak verstopt waren en dat dus de vloeren nat waren van overstromend water en urine. Ook werden uitwerpselen lang niet altijd goed weggespoeld. Soms waren toiletten en baden ook nog eens al half ingestort, maar nog wel in gebruik. Kortom, het was er vuil en het stonk er.” Vandaar dat bijvoorbeeld in de Metamorphoses, de schelmenroman van de tweede-eeuwse schrijver Apuleius, staat dat iemand erger dan de ergste latrine stinkt.

Roman Toilets maakt voor de goede orde ook duidelijk dat de Romeinen niet de uitvinders van het toilet zijn geweest. Uit vondsten in el-Amarna blijken sommige Egyptenaren in de veertiende eeuw voor Christus al stenen toiletten in hun huizen gehad te hebben. Verder zijn in het Nabije Oosten stenen zittingen met een opening in het midden gevonden die uit de achtste eeuw voor Christus dateren. In Jeruzalem is in een huis uit de zesde eeuw voor Christus een kalkstenen zitting in zijn context gevonden: in een apart kamertje, boven een beerput, met ernaast een aardewerken bakje voor water.

Ook de Grieken hadden aparte ruimtes om hun behoeften te doen. In Olynthus, ten zuidoosten van Thessaloniki, hadden ze in de vierde eeuw voor Christus al afvoeren van terracotta, die op de straat uitkwamen. En de openbare toiletten uit de tweede en eerste eeuw voor Christus op het eiland Delos met hun aparte watergoten hebben duidelijk als inspiratie voor de latere Romeinse openbare toiletten gediend. “Die zijn pas een paar jaar geleden gepubliceerd en waren voor mij ook nieuw”, zegt Jansen. Dat roept de vraag op wat nou Romeins aan de Romeinse toiletten was. Jansen: “De Romeinen wilden hun ontlasting echt helemaal weg en uit het zicht hebben. Vandaar dat hun toiletten op beerputten of riolen waren aangesloten.”

De riolen werden getuige historische bronnen schoongemaakt door slaven of strafgevangenen. Dat kan door de aanwezigheid van bacteriën niet anders dan zeer ongezond werk zijn geweest, meent Jansen. “Ik denk dan aan de gezondheid van de rioolwerkers in de Parijse riolen rond 1900. Uit onderzoek is bekend dat een derde van hen binnen tien jaar stierf.” In de Digesten, een zesde-eeuwse bloemlezing van vroegere Romeinse rechtsgeleerden, wordt hoe dan ook gezegd dat het voor slaven gevaarlijk was om in het riool af te dalen.

Staand plassen

De Romeinen hadden nog geen idee van bacteriën. “Zij waren wel bang voor kwade geesten die uit het donkere gat omhoog konden komen. Vandaar dat in toiletruimten vaak een altaartje van de godin Fortuna stond om de geesten af te weren.”

Romeinen mogen met meer mensen tegelijk een toilet gebruikt hebben, dat wil niet zeggen dat ze geen remmingen kenden als het om urineren of zich ontlasten ging. “In Pompeii waren graffiti die zeiden dat het niet op straat mocht gebeuren”, weet Jansen. Ook hadden de openbare toiletten door de aanwezigheid van buitendeuren enige mate van privacy. En grote kans dat de oculorum verecundia, de terughoudendheid van de blik, die filosoof Senaca voor de badhuizen predikte, ook zijn waarde in de openbare toiletten met al zijn geluiden en luchten gehad kan hebben.

Jansen merkt dat ook zij in de loop der jaren een bepaalde schaamte heeft moeten overwinnen. “In het begin hield ik me vooral bezig met het keurig opmeten van de toiletten. Hoe lang, hoe breed waren ze? Nu pas begint mijn onderzoek steeds fysieker te worden. In Minturno in Latium heb ik een soort plasgoot gevonden. Dat roept de vraag op of Romeinse mannen toch ook staand plasten. En hoe ze dat dan met hun toga’s deden. Mijn vader heeft zich al afgevraagd of we dit allemaal wel willen weten.”

‘Roman Toilets: Their Archaeology and Cultural History’ werd samengesteld door Gemma Jansen, Ann Olga Koloski-Ostrow (Brandeis University in Waltham, Massachusetts) en Eric Moormann ( Radboud Universiteit, Nijmegen). Peeters Publishers, 224 blz., 72 euro.