'Ik ben er voor jou'

Bij een salade in het Amstel Hotel maakt Sonja Barend (71) zich boos. ‘Politici komen weg met een smoes of vijf.’ Vanavond reikt ze de Sonja Barend Award uit.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux Lunchen, Sonja Barend, Amsterdam, 27/09/2011

onja Barend komt te spreken over het eerste televisie-interview van Dominique Strauss-Kahn. Hij moet gaan vertellen wat er nou precies gebeurde met dat kamermeisje in het New Yorkse Sofitel hotel. Het eerste shot: de IMF-man tegenover de interviewster, tussen hen in een soort vergadertafel met plek voor zeker veertig man. „Dan weet je: dit wordt nooit wat.” Nu buigt Sonja Barend (71) zich ver voorover. Ze zit tegenover me aan een klein tafeltje bij het serreraam van het Amstel hotel. Haar aquamarijne ogen dringen in de mijne. „Zo”, zegt ze. „Dit moet je hebben.”

Het was even onzeker waar we zouden lunchen. Een boterham bij haar thuis, of hier in het Amstel. Dat het een „dameslunch op stand” werd, lijkt ze heel leuk te vinden. Met zorg kiest ze iets van de kaart, een salade. Straks zal ze bij de eerste hap zeggen dat dit wel een ongelooflijk lekker hapje is. Ik vraag haar of het waar is dat ze vroeger sollicitatiegesprekken met medewerkers het liefste voerde in een deftig restaurant. Wie niet netjes at, werd niet aangenomen. Ze lacht en zegt dat dat eerlijk gezegd wel klopt.

Bijna veertig jaar was zij dé televisievrouw van Nederland. Ze begon als presentatrice voor de Vara en kreeg daarna haar eigen show. Sonja op maandag, Sonja op dinsdag, vul alle dagen van de week maar in. „We hadden vechtpartijen, voetbalsupporters die de boel verbouwden, tot bommeldingen aan toe.”

Sonja Barend zelf was al net zo controversieel. Je hield van haar, of ergerde je hartgrondig. Een harde kern mopperende mannen van een generatie net boven haar bestookte haar in kranten en in columns met kritiek. Ze vonden haar te fel, te partijdig, te links, te elitair, te lelijk of te mooi. Gratekut, dat woord is wel blijven hangen, zegt ze. „Maar ik heb nooit gedacht: nu stop ik, nu hou ik ermee op.” Het zit niet in haar karakter, zegt ze, om te willen dat iedereen haar aardig vindt. „Ik maakte mijn programma in eerste instantie voor mijn redactie. Ze hadden zo hard gewerkt, ik wilde ze niet teleurstellen. Vervolgens ging het me om de zaal. Bij de eerste gulle lach, was de avond geslaagd. Dat er nog een miljoen of vijf mensen thuis ook wat van haar vonden, nee, dat realiseerde ze zich niet.

Ze is net terug uit Frankrijk, ze heeft er samen met haar man een tweede huis ten noordoosten van Avignon. Er kwamen vrienden logeren, de drie dochters van haar man met hun kinderen, de oudste is net drie. Ze kookte, ging naar de dorpsmarkt, schilderde de luiken. Het was een topvakantie, zegt ze. Maar al die weken zat dat ene programma van vanavond in haar hoofd. „Zo’n onrustig makende gedachtenstroom, daarom ben ik met televisie opgehouden.” Dat is nu vijf jaar geleden.

Vanavond reikt ze, in een live programma, de Sonja Barend Award uit voor het beste televisie-interview van afgelopen jaar. Er zijn vier genomineerden. Matthijs van Nieuwkerk voor zijn gesprek met Isa Hoes, Pauw en Witteman voor dat met Albert Drent, directeur van kinderdagverblijf Het Hofnarretje, Sven Kockelmann voor het interview met Marine le Pen. Twan Huys met Dutchbat-commandant Thom Karremans. Alle presentatoren zitten straks bij haar aan tafel. Wat zal ze hun gaan vragen? Heel even kijkt ze alsof ze dat zelf ook niet weet. Wat haar interesseert, zegt ze, is hoe je een gesprek voert. „Hoe benader je de directeur van een crèche waar kinderen werden misbruikt? Nagel je hem aan de paal, of bejegen je hem zachtjes zoals Pauw en Witteman deden? Of moet het zoals Sven Kockelmann doet, die er bij vraag twee bovenop springt?” Vinden kijkers dat wel interessant? „Soms schrik ik wakker, en denk van niet. Eén geluk, dit programma is eenmalig, ik hoef er niet nog 99 te maken.”

Het zal komen door al die jaren dat ze op de televisie was, dat haar gezicht zo vertrouwd lijkt. Nu ze zo dichtbij is, zie ik alleen nog de aura van haar rossig blonde haren, die ogen, de oorbellen en het truitje in dezelfde kleur. En voor ik het weet, heb ik gevraagd of ze al weet wat ze aandoet vanavond. In elk geval iets nieuws, zegt ze. Dat was het fijnste van elke week een programma. Elke week naar de winkel en iets moois kopen. „Soms zie ik oude beelden en denk: dat ziet er best goed uit. Als ik nu weer eens sta te klagen voor de spiegel, zegt mijn man: Wees er maar blij mee. Over vijf jaar zie je een foto van nu en...” Ze stopt abrupt. Zegt, nonchalant: „De rest van de zin weet je zelf wel.”

Aftroeven

Bejegening, hoe ga je om met mensen. Haar interesseert het mateloos. Het duurt heel even voor Sonja Barend van kalm en aardig is opgeschaald naar fel. Ze begint met zeggen dat ze nooit gehouden heeft van mensen klem zetten of aftroeven in haar programma. „Het is een beetje een afgekloven bot, maar ik interviewde altijd gewone mensen. Mensen die nooit iets werd gevraagd, met nul ervaring op tv. Ik vond het mijn plicht om die mensen eerst op hun gemak te stellen. Dat moest zo goed en zo snel mogelijk.” Even voelt het alsof ze de lat voor mij neerlegt. „Je moet uitstralen: ik ben er voor jou, ik weet al heel veel van je, mij kun je vertrouwen.” Je zult zien, zegt ze, dat mensen je heel graag van alles vertellen. „Vertel op een feestje dat er bij je ingebroken is. Binnen de kortste keren wil iedereen zijn verhaal kwijt.” Mensen praten graag. „En wij hebben ze dat geleerd.” Wij? „Ik bedoel het als in het Franse ‘on’. Wij televisiemensen.”

Iets feller wordt ze over de mensen die moeten praten, maar het niet doen. „Politici. Die moeten hardhandig aan de tand gevoeld. Dwars door alle voorlichters en spindokter heen. Dat kan niet streng genoeg. Laat ze maar vertellen hoe het zit met dit in elkaar getimmerde kabinet. Ze zitten eromheen te draaien. De premier van Nederland staat bij de Algemene Beschouwingen te lachen, één hand in zijn zak, soms twee, zo van: ik voel me reuze op mijn gemak. Maar ik zit te rillen op de bank. Denk: ‘Man, er is een crisis, Griekenland gaat failliet. Hoezo, zeg op, leg uit. Wat is er aan de hand en wat gaat er gebeuren?’” Politici worden niet meer ondervraagd. „Ze zijn te gast in een talkshow. Dan moet het leuk zijn. Waarom trekt niemand meer tien minuten uit om ze echt scherp te ondervragen?” We hebben er, zegt ze, wel de interviewers voor. Nu ze het er zo over heeft, ze zal vanavond eens vragen waarom ze het niet doen.

Ze zet zelf haar boosheid even stop. Zegt: ‘Ik ben geen erge mopperkont.’ Niet iemand die vindt dat wat er na haar op televisie kwam, niks voorstelt. Ze is hooguit wel eens somber over de invloed van televisie. „We maken reportages in Libië, doen verslag vanuit Egypte. Daarna pakken we onze peperdure camera’s weer in, betalen de hotelrekening en gaan naar huis. Weten we dan wat daar gebeurt? Begrijpen we nu de Arabische Lente? Ik denk nog steeds dat ze daar de zomer overslaan en het weer heel gauw winter wordt.”

Razzia’s

Niettemin, zegt ze, is ze van nature optimistisch. „Het leven duurt een seconde of drie. Het ergste of het stomste wat je kan overkomen, is dat je aan het einde van je leven denkt: had ik er maar wat van gebakken.” Ze is nu op een leeftijd dat ze regelmatig hoort dat die of die is overleden. „Eerst denk je: 83, mooie leeftijd. Maar dan. Verdomme, mijn man is 76. Dan hebben we nog maar zeven jaar.”

Met Abel Cahen, haar tweede man, is ze nu 31 jaar, 7 maanden en 25 dagen samen. Bij hem vond ze het warme nest dat ze altijd heeft gezocht. De familie van haar vader en haar vader zelf werden bij een van de eerste razzia’s in 1942 – zij was toen twee – weggehaald en vergast. Haar moeder hertrouwde, kreeg nog twee zoons en sprak nooit meer over vroeger.

De koffie komt en daarbij een schaaltje chocola en zandkoekjes. Ze geniet hardop. „Wat wil een kind het liefst over zijn vader weten? Was hij slim en knap, van wie heb ik dit en waarom doe ik zo.” Ze noemt het gemis een „gat in haar leven”. Heeft ze nooit de aanvechting gehad dat eens te zeggen, vraag ik. Zij was de eerste die bommoeders (bewust ongehuwde moeders) in haar program-ma had, gezinnen met twee moeders, twee mannen met een kind. „Schatten van moeders natuurlijk, en het kind had genoeg mannen in zijn omgeving als rolmodel of vast ook heel fijn contact met de donorvader.” Maar misschien, achteraf, was het goed geweest te zeggen hoe zij geleden heeft onder het niet weten hoe haar vader was.

Haar vaders identiteit heeft ze beetje bij beetje kunnen achterhalen. „De meeste mensen die ik naar hem wilde vragen, gingen net dood, wilden niet of konden alleen maar huilen.” Van zijn voormalig werkgever weet ze dat hij tweedehands juten zakken sorteerde. Historicus Loe de Jong zocht voor haar op waar en wanneer hij stierf. Nu Sonja Barend wat ouder is, twijfelt ze of ze de zoektocht naar glimpjes van haar vader nog moet voortzetten of juist staken. „Ik weet niet of ik het mezelf wil aandoen me echt een voorstelling te maken van hem en zijn laatste jaren.”

En zo hervat ze met een omweg haar eerdere uitval naar de hedendaagse politiek. Ze begint te zeggen dat „dit de basis is van hoe ik in het leven sta”. Ze bedoelt daarmee haar „buitenissige aandacht voor minderheden en haar gevoeligheid voor hoe wij ze bejegenen”. En ja, dan is ze inderdaad fel en heel partijdig ook. Zoals er nu in de politiek over minderheden wordt gesproken, zegt ze, dat stuit haar tegen de borst. „Dat kun je op geen enkele manier gedogen. Ook niet één seconde.” Daarom wil ze nu meteen opheldering van de partijleiders die denken dat wel te kunnen op grond van zogenaamde argumenten. Als eerste op het hakblok, wat haar betreft: de partijen met de c van christelijk in hun naam. „Ze hebben een smoes of vijf paraat waarmee ze ook nog weg komen. Maar echt, als ze in de hemel komen waar zij zo in geloven, en Petrus ondervraagt ze streng, dan komen ze er niet in. Dat weet ik zeker. Ze deugen allemaal niet.”