Homo is nog lang niet gay

Lisette Kuyper – Sexual Orientation and Health. 184 blz. Universiteit Utrecht, 23 september 2011. Promotor: Prof.dr. J.B.F.de Wit

Ruim tien jaar geleden publiceerde Archives of General Psychiatry een artikel van Theo Sandfort, Ron de Graaf, Rob Bijl en mij, waaruit bleek dat homo’s meer psychische problemen hebben dan hetero’s. Vergeleken met heteroseksuele mannen hadden de homoseksuele mannen duidelijk meer last van depressies, angststoornissen en alcoholisme. Bij vrouwen waren de verschillen minder uitgesproken, maar alcoholmisbruik kwam ook meer voor bij homoseksuele vrouwen. Latere onderzoeken lieten zien dat homo’s, vooral ook weer de mannen, meer dan hetero’s suïcidaal gedrag vertoonden. De verschillen waren veel groter dan verwacht, zeker in een land als het onze, waar vergeleken met elders homo’s het meest algemeen op acceptatie kunnen rekenen.

Onlangs is in een nieuw groot psychiatrisch epidemiologisch onderzoek meer expliciet naar seksuele voorkeur gevraagd. We hopen over een tijdje definitievere uitspraken over de mate en de aard van het verschil te kunnen doen.

Zover is het nog niet, maar inmiddels is er wel het proefschrift van Lisette Kuyper, die heeft gekeken naar de verschillen in lichamelijke en geestelijke gezondheid tussen homo’s en hetero’s. In haar proefschrift zet zij in op een toetsing van de theorie van Ilan Meyer (Columbia University, New York), die de grotere kwetsbaarheid van homo’s voor psychische problemen toeschrijft aan de gevolgen van minority stress. Als typische risicofactoren noemt hij de eventuele negatieve reacties van anderen op je homo-zijn, maar ook de angst voor negatieve reacties, de neiging om er niet voor uit te komen dat je homo bent en de eigen afkeer van homoseksualiteit. Die is dan wel aangeleerd, maar kan buitengewoon sterk zijn. De belangrijkste beschermende factor tegen minderheidsstress ziet Meyer in het hebben van een vriendenkring van soortgenoten. Daarmee wordt zonder zoveel woorden meteen duidelijk dat homoseksuelen er altijd eerst alleen voor staan en pas als ze voor zichzelf erkennen dat ze homoseksueel zijn, op zoek kunnen gaan naar partners en vrienden die eerst net zo alleen zijn geweest. Simpel gezegd, iedere homo wordt als hetero geboren.

Lisette Kuyper vindt in de verschillende onderzoeken die ze heeft gedaan een sterke bevestiging van de theorie van Meyer. Ook nu zou je misschien verwachten dat juist in Nederland minder van minderheidsstress sprake zou moeten kunnen zijn, maar de recente berichten over het wegpesten van homostellen uit hun huis en buurt tonen aan dat de acceptatie in de praktijk toch nog behoorlijk kan tegenvallen. 90 procent van de Nederlanders geeft aan geen probleem met homoseksualiteit te hebben, maar men wil er toch niet al te direct mee geconfronteerd worden en nichterig gedrag kan, behalve als het als amusement is bedoeld, op hoon en spot rekenen. Vrouwen hebben duidelijk meer vrijheid in hun presentatie en gedrag dan mannen en staan wat dat betreft ook minder onder druk. Zij hebben gemiddeld ook minder last van minderheidsstress.

Een nieuw thema in het onderzoek van Lisette Kuyper is eenzaamheid bij homoseksuele ouderen. De oudere homo’s van nu zijn vaak nog uit de kast gekomen in een tijd dat dit tot het verbreken van de contacten met familie en vrienden kon leiden. Alle kans ook dat ze bijvoorbeeld na hun pensioen nauwelijks meer een hecht sociaal netwerk hebben. Lisette Kuyper laat zien dat dit weer in het bijzonder geldt voor homoseksuele mannen. Duidelijk is dat alleen wie zelf actief blijft en zijn contacten aanhoudt, een sociaal leven houdt. Heteroseksuele mannen vertrouwen daarvoor nog maar al te vaak op de inzet van hun vrouw. Weduwen vereenzamen ook minder snel dan weduwnaars.

Uitkomen voor je homoseksualiteit lijkt voor de jongeren van nu op het eerste gezicht nauwelijks nog een probleem. Dat valt vaak toch tegen en veel homojongeren, een op de drie jongens en een op de vijf meisjes, krijgen negatieve reacties of voelen zich gediscrimineerd. Een op de zeven zou liever hetero zijn, al is de overgrote meerderheid tegenover vrienden en familie open over het feit dat het niet zo is. Uit de onderzoeksresultaten van Lisette Kuyper komt voor wat betreft de homojongeren een beeld naar voren van een grotere mate van persoonlijke en sociale onzekerheid. De neiging tot overmatig gebruik van alcohol en softdrugs, die wij in 2001 ook al in ons onderzoek rapporteerden, zien we opnieuw ook bij de jongeren duidelijk terug.

Zelf vindt de onderzoeker het een gemis dat zij in haar onderzoek geen aandacht heeft kunnen geven aan de transgenders, maar ik vraag me af of dat terecht is. Geslachtsverandering trekt altijd wel erg de aandacht, maar komt toch heel weinig voor en is in zijn psychische betekenis van een totaal andere orde dan de ontdekking homo te zijn. Lisette Kuyper sluit haar proefschrift af met de constatering dat de meeste homo’s zich prima kunnen vinden in een heterodominante maatschappij. Dat is zo, maar haar proefschrift levert toch ook het bewijs dat op lang niet iedere homo het epitheton gay van toepassing is.

    • Paul Schnabel