Geen vale varaan maar een kleurige kalkoen

Paleontologie Dinosauriërs zijn lang gezien als grauwe, kale hagedissen. Maar ze leken meer op moderne vogels, met bontgekleurde veren. Tyrannosaurus rex had een donskleed.

Afgelopen zomer maakte Steven Spielberg bekend dat hij werkt aan een nieuw deel in de filmreeks Jurassic Park. In de eerste film uit die serie waren de dinosaurussen nog fletse, kale dieren. Dat beeld is inmiddels ingehaald door de wetenschap. Een moderne dinosaurus is pluizig, bont gekleurd en draagt kammen, hoorntjes en lellen. Zelfs de vervaarlijke vleeseter Tyrannosaurus rex was gedeeltelijk bedekt met dons.

Die wetenschappelijke inzichten dringen ook door tot de ‘paleokunstenaars’, die zich specialiseren in het reconstrueren van prehistorische dieren. In Jurassic Park 3 (2001) kreeg de roofdino Velociraptor al een paar veren op zijn kop. Inmiddels wordt het dier steeds vaker afgebeeld met een compleet verendek. Dinosauriërs lijken daarmee meer en meer op een uitvergrote kip of kalkoen, in plaats van het reptiel dat we er lang in hebben gezien.

Want dinosauriërs (letterlijk: ‘verschrikkelijke hagedissen’), dat waren net als varanen en krokodillen slome en geschubde dieren, dacht men tot in de jaren zeventig. Het eerste bewijs dat die interpretatie niet klopt stamt al uit 1863. Toen werd de fossiele ‘oervogel’ Archaeopteryx gevonden, in de kalkgroeven van Solnhofen. Dit dier had een benige staart en tanden, zoals dinosauriërs, maar ook geklauwde vleugels en veren, zoals moderne vogels. Deze vreemde combinatie van eigenschappen weerhield paleontologen er niet van om destijds een heldere grens te trekken: Archaeopteryx was een primitieve vogel, en geen dinosaurus.

De negentiende eeuwse bioloog Thomas Huxley zag dat anders. Terwijl zijn collega’s later vermoedden dat de oorsprong van Archaeopteryx en andere vogels lag bij de Pseudosuchia, een oude groep krokodilachtige reptielen, dacht Huxley dat Archaeopteryx een evolutionaire schakel tussen vogels en dinosaurussen was. Hij baseerde dat vermoeden niet alleen op de oervogel zelf, maar ook op de vogelachtige vorm van het bekken van andere dinosauriërs.

In de loop van de twintigste eeuw gaven steeds meer paleontologen Huxley gelijk, maar het idee van gevederde dinosauriërs bleef een ketterij. Tot 15 jaar geleden. Toen dook in China fossiel na fossiel op van dinosaurussen die onmiskenbaar veren droegen. Ze komen van versteende moddervlakten, waarin ook het zachte weefsel van de dieren bewaard is gebleven. De mooiste van die fossielen tonen skeletten die omringd zijn met een fijn halo van dons.

Dinosauruspluis

Dat zijn lang niet alleen maar gevleugelde reptielen, zoals Archaeopteryx, maar ook geklauwde roofdinosauriërs, die met beide poten op de grond stonden. “Tot nu heeft elke raptor die daar gevonden is volledig moderne veren met een schacht”, zegt Thomas Holtz (University of Maryland), een paleontoloog en expert op het gebied van theropode dinosauriërs. Theropoden zijn de tweebenige dinosauriërs waartoe ook alle moderne vogels behoren. Het waren vaak vleeseters, zoals de beroemde Tyrannosaurus rex. Samen met de sauropoden (langnekdinosauriërs) vormen theropoden de Saurischia. De andere grote dinosaurusgroep is de Ornithischia, waartoe bijvoorbeeld de driehoornige Triceratops behoort.

Het staat inmiddels vast dat het gros van de theropode dinosauriërs veren droeg. Maar of het dinosauruspluis zich tot deze groep beperkt, weet niemand. Ook bij de Ornithischia zijn inmiddels veerachtige structuren aangetroffen. Zoals op de rug en staart van de Chinese dinosaurus Tianyulong, een planteneter ter grootte van een labrador. Holtz houdt daarom de mogelijkheid open dat de gemeenschappelijke voorouder van alle dinosauriërs al bedekt was met een combinatie van schubben en veren.

Veel ‘paleokunstenaars’ gebruiken deze nieuwe inzichten in hun illustraties. Zij tekenen dinosauriërs steeds vaker als pluizige dieren met een dicht verenpak. Wat Holtz betreft gaat niet iedereen daar ver genoeg in. Publiekslievelingen die als ‘kale dinosaurus’ beroemd zijn geworden, zoals Velociraptor, worden niet altijd met veren afgebeeld. “Met name de digitale kunstenaars die werken voor televisie en films zijn daarin nog veel te terughoudend”, zegt Holtz.

Ook belangrijk voor dinotekenaars: vorig jaar kwam het eerste harde bewijs dat sommige gevederde dinosauriërs kleurrijke dieren waren. “De kleuren in een veer ontstaan vanuit bepaalde pigmentdragende structuren, de melanosomen”, legt Holtz uit. “Met nieuwe technieken zijn die melanosomen te isoleren uit fossiele veer- en donsresten. Zo zijn de kleuren van een paar dinosaurussen al in kaart gebracht, zoals de rode en witte strepen op de staart van Sinosauropteryx en het zwarte, witte en rode verenkleed van Anchiornis.”

Dat gevederde theropoden net zo bont konden zijn als moderne vogels staat daarmee vast, maar sommige paleokunstenaars gaan nog een stapje verder. Zij beelden ook dinosauriërs die minder nauw verwant zijn aan vogels met felle kleuren af. Zo reconstrueerde de Amerikaanse dinotekenaar Brian Engh de langnekdinosauriër Sauroposeidon als een knalpaarse reus. Engh is een freelance illustrator. Hij werkt bijvoorbeeld samen met paleontologen om hun wetenschappelijke artikelen te illustreren. Fossiel bewijs voor het bestaan van veren of kleur bij sauropoden is vooralsnog niet gevonden, dus Enghs kleurgebruik is speculatief.

Sommige artiesten overdrijven natuurlijk in hun kleurkeuze, vindt ook David Orr, grafisch ontwerper en Masters of Fine Arts-student aan de Indiana University. Orr houdt een blog bij over dinosaurusillustraties. “Ik denk niet dat we zulk werk moeten zien als een poging om tot een realistische reconstructie te komen. Het is een manier om het publiek attent te maken op het bestaan van kleurrijke dino’s.” De trend om dinosaurussen steeds kleurrijker af te beelden is sinds de jaren ’90 langzaam op gang gekomen, zegt Orr. Toen raakte het evolutionaire verband tussen vogels en dinosauriërs langzaam geaccepteerd. En natuurlijk is de wijze waarop dinosauriërs worden afgebeeld onderhevig aan mode, geeft Orr toe. “Dat bonte kleurgebruik is vooral ook een manier om het monotone kleurgebruik van de decennia daarvoor te corrigeren.”

Kleurenblind

Correctie of niet, de paarse Sauroposeidon blijft bizar. De grootste dieren van deze tijd, zoals olifanten, neushoorns en krokodillen, hebben toch ook geen felgekleurde huid of pels? Matthew Wedel, de paleontoloog die fossiele ruggenwervels van Sauroposeidon ontdekte, zegt dat die vergelijking mank gaat. “Grote zoogdieren zijn zo dof gekleurd omdat ze allemaal kleurenblind zijn”, zegt hij. “En dieren als krokodillen en komodovaranen bejagen hun prooi vanuit een hinderlaag. Voor hen is het belangrijk dat ze opgaan in hun omgeving.” Dinosauriërs hadden al die problemen niet. Ze konden, net als vogels, wél kleuren zien. Een felgekleurde dino kan dus best, vindt Wedel. “Bovendien waren veel dinosauriërs te groot om zich te kunnen camoufleren met onopvallende kleuren.”

Brian Engh doste Sauroposeidon ook nog uit met een opblaasbare keelzak, waarmee het beest indruk kon maken op het ander geslacht. Ook hiervoor bestaat geen bewijs, maar Engh baseerde de reconstructie wel gedeeltelijk op wetenschappelijk onderzoek. “Ik kreeg het idee ervoor van fregatvogels die hun felrode keelzak op kunnen zetten door er lucht door te laten stromen”, zegt hij. “Vogels hebben een ingewikkeld ademhalingssysteem dat dat mogelijk maakt. Toen ik op de website van Matthew Wedel las dat de wervels van sauropoden sporen van een vergelijkbaar luchtwegstelsel bevatten, bedacht ik me dat zij misschien ook vreemde keelzakken hadden om mee te pronken.”

Matthew Wedel heeft geen problemen met deze speculatieve interpretatie van zijn onderzoek. “Natuurlijk is elke gedurfde reconstructie fout. Wat je ook bedenkt, het zal nooit kloppen met de vreemde structuren die het dier in werkelijkheid had. Als je daarentegen een conservatieve reconstructie maakt, zit je niet alleen fout, maar ben je ook saai.”

Ook Thom Holtz stoort zich niet aan verzonnen lellen en kwabben. “Het is heel waarschijnlijk dat er rond het hoofd en de nek van dinosaurussen vlezige uitstulpsels hingen, net als bij moderne hagedissen en vogels, ook al weten we niet bij welke soorten ze wel en niet aanwezig waren en welke vorm ze hadden.” Bovendien bestaat voor sommige soorten hoofdversiering wel degelijk bewijs, zegt Holtz. Zoals voor de kleine hoorntjes op de snuit van Tyrannosaurus. Die hebben sporen achtergelaten in de textuur van hun schedels.

Dat paleokunstenaars nu meer zacht weefsel en spieren durven te tekenen is een recente ontwikkeling. Veel tekenaars lieten dat vroeger achterwege. “Veel oude reconstructies zien eruit alsof iemand de huid als een dunne laken over het skelet heeft gedrapeerd”, zegt Matthew Wedel. “Ik noem dat het ‘krimpfoliesyndroom’. De kunstenaar liet zo zien dat hij bekend was met de vormen van het skelet, maar wat miste waren al die spieren, luchtzakken, en kammen die echte dieren zo levendig maken.”

Daar gaat het bij paleokunst natuurlijk om: het op een betrouwbare manier tot leven wekken van uitgestorven dieren. Kennis van de levende natuur en van vogels in het bijzonder is daarbij essentieel, vindt Brian Engh. “We kunnen nog zo veel leren van de dinosaurussen die nu nog leven”, zegt hij. Hij doelt op vogels. “Veel eigenschappen die karakteristiek zijn voor vogels, zijn in dinosaurussen ontstaan, zoals klauwen, een schubbige huid, scherp zicht en rare longen. Als we vogels beter leren begrijpen, kunnen we ook hun uitgestorven verwanten ontcijferen.”

Matthew Wedel is het daarmee eens. “In documentaires en films komen dinosaurussen vaak over als vreemde hybride dieren, met het uiterlijk van een reptiel en het gedrag van een zoogdier. Maar hun levende nakomelingen zijn totaal anders. Vogels zijn snel, nieuwsgierig en vaak opzichtig opgesmukt. Zij zouden het uitgangspunt moeten zijn voor reconstructies van dinosauriërs.”