Geen reden om na Wall Street de Zuidas te gaan bezetten

Een sociale tijdbom of slachtoffer van de babyboomers? Floor Rusman vraagt zich af hoe haar generatie dit imago kan bestrijden.

Twee jaar geleden werden we wakker geschud door onderzoeksbureau Motivaction, dat op basis van vijfentwintig jaar cijfermateriaal aantoonde dat mijn generatie, de generatie van twintigers, apathisch en egoïstisch is. ‘Een sociale tijdbom’, werden we genoemd. We zouden alleen uit zijn op ‘uiterlijk, kicks en netwerken’. In de nasleep van dit rapport kregen we allerlei soortgelijke adjectieven in de maag gesplitst, zoals netwerk- en confettigeneratie. Deze zomer deed Motivaction er nog een schepje bovenop in een nieuw rapport met dezelfde boodschap, opgeluisterd met andere voorbeelden: zo kijken managers er niet naar uit de nieuwe generatie werknemers in dienst te nemen, omdat die ‘alleen maar het eigen ik kent’.

Afgelopen donderdagavond kreeg ik in Spui25, op een door de Groene Amsterdammer georganiseerde avond over ‘de verloren generatie’, een heel ander verhaal te horen. Het ligt niet aan ons, bleek uit de voordrachten. Wij staan gretig op het punt de arbeids- en woningmarkt te betreden, maar we vinden de babyboomers op ons pad. Zij eten de pensioenkassen leeg, zij zijn de laatsten die royale salarissen krijgen voor schimmige functies en zij zadelen ons op met te hoge huizenprijzen. Het is even wennen. Het ene moment zijn we een sociale tijdbom, het volgende blijkt dat we slachtoffer zijn van een generatie die ons de weg verspert.

Beide analyses hebben echter één belangrijk punt gemeen: ons wordt verweten dat we gelaten, apathisch en ‘politiek impotent’ zijn.

De eerste vraag die bij me opkomt is: gaat het echt zo slecht met ons? Vorige week was ik nog bij een debatavond over de ‘shuffle-generatie’ (de nieuwste generatienaam, die verwijst naar ons onvermogen tot concentratie en het maken van keuzes), waar bleek dat mijn hoogopgeleide leeftijdgenoten hoge eisen stellen aan banen en gewoon weer vertrekken als een baan na drie maanden niet ‘uitdagend’ genoeg blijkt. Mij bekruipt bij dit soort debatten het gevoel dat de daar aanwezigen niet de grootste slachtoffers zijn van de crisis: voor laagopgeleide of allochtone jongeren, die niet op deze avonden zijn, is er waarschijnlijk veel meer reden om de straat op te gaan.

Wel is het zo dat een aantal ernstige problemen voor alle jongeren geldt. Onze pensioenen zijn onzeker, we kunnen moeilijk aan woonruimte komen, we krijgen niet snel een vast contract. En daar komen dan de meer algemene problemen, zoals die van de vergrijzing en de eurocrisis, nog bovenop. Maar waar zouden we heen moeten gaan om hierover te klagen? Valt de leden van de oudere generatie te verwijten dat ze ‘krampachtig aan hun baan vasthouden’, zoals iemand in Spui25 suggereerde? Ik kan mensen toch moeilijk kwalijk nemen dat ze hun baan niet kwijt willen. Moeten we naar het Malieveld gaan om te demonstreren voor het versoepelen van het ontslagrecht? Noem me apathisch, maar ik zie niet voor me dat er voor zo’n onderwerp duizenden jongeren op de been komen.

En dit geldt ook voor andere thema’s. Als ik het niet eens ben met het pensioenakkoord, moet ik dan gaan protesteren bij het kantoor van de FNV, het gebouw van de Tweede Kamer of het huis van minister Kamp? Wat te doen als ik boos ben over het feit dat je na twaalf jaar inschrijftijd bij de woningbouwvereniging alleen een opgeleukte loods in een buitenwijk kunt krijgen? Mijn kamp opslaan in Den Haag, bij het kantoor van Woningnet, of gewoon op de stoep van scheefwoners?

Wat de grotere problemen betreft wordt het al helemaal moeilijk. Groene-redacteur Rutger van der Hoeven riep ons donderdag in zijn voordracht op om van ‘de generaties die de crisis hebben veroorzaakt’ te eisen dat ze niet alles op ons afwentelen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Hebben mijn ouders de crisis veroorzaakt? Nee, voor crisisgerelateerde klachten moeten we het hogerop zoeken. Er is een heel arsenaal aan kandidaten om onze woede op te richten, van Alan Greenspan, hypotheekverstrekkers en anonieme bankiers tot de voormalige regeringsleiders van Griekenland en de Grieken zelf. Ik heb inmiddels veel gelezen over de krediet-, euro- en schuldencrises, maar over de aan te wijzen ‘schuldigen’ bestaat zelfs onder experts verschil van mening. Tot wie we ons moeten richten is dus onduidelijk. Voor de mensen die nu demonstreren op Wall Street is het blijkbaar duidelijk wie de crisis hebben veroorzaakt, maar ik zie er zelf de redelijkheid en het nut niet van in om ‘de Zuidas te bezetten’, zoals in Spui25 werd geroepen.

Motivaction voert onze vermeende apathie terug op ons luie, verwende karakter. Rutger van der Hoeven heeft medelijden met ons, maar verwijt ons wel een gebrek aan verontwaardiging. Zijn we inderdaad lui en onverschillig? Ik denk het niet. Ik kan niet spreken voor mijn hele generatie – en na het lezen van het rapport van Motivaction kijk ik wel uit met het maken van generalisaties – maar ik en de mensen om mij heen maken ons wel degelijk druk om van alles, van de woningmarkt tot de eurocrisis. Het probleem is alleen dat onze toekomst wel erg veel onzekerheden kent en we niet goed weten hoe we onze zorgen hierover zouden moeten ventileren.

Floor Rusman studeert politieke ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.