Vijf vragen over de steunoperatie voor Dexia

Het lijkt erop dat Dexia in zijn huidige vorm niet lang kan blijven bestaan. Frankrijk en België ontwikkelen een plan om de balans van de kwakkelende bank af te slanken naar eenvijfde van de huidige 500 miljard euro. Maar de staatsaandeelhouders moeten eerst vijf netelige problemen oplossen.

Het basisplan ziet er als volgt uit: Frankrijk wil de kredietverlening van Dexia aan Franse gemeenten graag in stand houden, en wil de 90 miljard euro aan bezittingen van deze divisie overhevelen naar Banque Postale, waarin een Frans staatsbedrijf al een belang heeft. Zo wil België DBB, de binnenlandse retailtak van Dexia met 200 miljard euro aan bezittingen, in leven houden. Het plan is om gezonde bezittingen in Turkije en Luxemburg af te stoten, waardoor een rompbedrijf met 100 tot 150 miljard euro aan obligaties, leningen aan Amerikaanse gemeenten en gestructureerde kredieten overblijft, dat zal worden gesloten nadat deze schulden zijn afgelost.

De eerste vraag is of dit rompbedrijf extra kapitaal nodig heeft. De regeringen hebben alleen beloofd de uitgifte van obligaties door Dexia en de deposito’s te waarborgen, zonder dat sprake is van een kapitaalinjectie. Dexia heeft 15,3 miljard euro aan kernkapitaal van zijn aandeelhouders in de boeken staan. Slechts 6 miljard zou bij het rompbedrijf blijven. Dat is wellicht onvoldoende.

Als Dexia zijn goede bezittingen voor ruimschoots de boekwaarde weet te verkopen, kan de bank het misschien zonder extra kapitaal redden. Met de Turkse dochter Deniz zou dit moeten kunnen. Maar belangen in firma’s als het Italiaanse Crediop of het Spaanse Sabadell kunnen wellicht slechts tegen de helft van de boekwaarde worden verkocht.

Als Frankrijk en België de ‘slechte bank’ moeten voorzien van een gezonder kernkapitaal van bijvoorbeeld 10 procent, moeten ze er misschien wel 6 miljard euro in steken – wat moeilijk is, vooral voor België.

Dit leidt tot de tweede vraag: of de crediteuren van Dexia aan een korting moeten worden onderworpen. De bank heeft voor 3,9 miljard euro aan achtergestelde leningen, maar voor nog veel meer geld aan onverzekerde kredieten met een hogere prioriteit. Met een korting zou het kapitaalprobleem zijn opgelost. Maar als hierdoor de toch al vrijwel opgedroogde kredietmarkten nóg slechter gaan functioneren, jaagt het de overheden op nóg meer kosten.

De derde vraag is hoe de garanties zullen werken. Strekt de dekking zich uit tot de bestaande schulden van de bank, of betreft zij uitsluitend de deposito’s en de toekomstige obligatie-uitgiftes? De korte bekendmaking van dinsdag heeft dit punt opengelaten.

Sommige analisten gaan ervan uit dat de garanties net zo zullen werken als in 2008, toen ze betrekking hadden op toekomstige uitgiftes. Hierdoor kon Dexia obligaties uitgeven met een looptijd van drie jaar. Dit leverde 95 miljard euro op. België droeg 60,5 procent van de garanties bij en Frankrijk 36,5 procent. Frankrijk was niet verplicht om over de brug te komen als België niet aan zijn verplichtingen kon voldoen en vice versa. De vraag is of beleggers een herhaling van het plan accepteren, omdat er twijfels zijn over de kredietwaardigheid van België.

Dit leidt tot de vierde kwestie – het delen van de lasten. Zal die verdeling hetzelfde zijn als in 2008? En zal er, als er kapitaal moet worden geïnjecteerd, worden vastgehouden aan deze verdeling?

Tenslotte hebben de staten een Plan B nodig voor het geval dat beleggers hun neus ophalen voor de obligaties van Dexia. Eén idee zou kunnen zijn de ECB om geld te vragen. Maar als die de kwaliteit van de bezittingen van Dexia niet acceptabel vindt, zullen Frankrijk en België zich wellicht moeten wenden tot hun nationale centrale banken.

George Hay

Vertaling Menno Grootveld