Lelijke-eendjesgevoel

Met De ontdekking van de Middeleeuwen biedt de Nederlandse historicus Peter Raedts aan de ene kant vijf eeuwen historiografie aan. Aan de andere kant is het boek een schotschrift. Maar waartegen ageert Raedts?

In de tijd dat ik geschiedenis studeerde is er geen vakgebied zo vaak hot verklaard als dat van de Middeleeuwen. Het begon bij Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckmann (1973), het werd al serieuzer met Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie (uit 1975, maar in Nederland pas langzaam doorgedrongen) en in 1980 maakte Umberto Eco het succes compleet met De naam van de roos. Op radio en tv spraken ze van een golf van middeleeuwse boeken.

Twee jaar later begon ik met drie medestudenten colleges Middeleeuwse geschiedenis te volgen. Twee van hen zouden na een jaar alweer voor andere studies kiezen. En als ik in de jaren daarop wel eens met vijftien studenten tegelijk in één kamer heb gezeten, dan waren het er veel. Bij Nieuwe en Theoretische geschiedenis puilden de collegezalen uit.

Nederland bekommert zich niet om de Middeleeuwen. Nooit gedaan ook. De simpelste verklaring is dat Nederland geen Middeleeuwen heeft gekend, of liever: dat de Middeleeuwen geen Nederland kenden. Wat in de eeuwen tussen 500 en 1500 – de bandbreedte die doorgaans voor de Middeleeuwen wordt genomen – rond de delta’s van Rijn en Maas en IJssel lag, was een verzameling dorpen, ambachten, heerlijkheden, een handjevol steden, een paar graafschappen en een enkel hertogdom. Ze vochten vaker onder elkaar dan met mensen die hun taal niet verstonden.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 7 oktober 2011, pagina 6 - 7. Het hele artikel kunt u hier lezen.