Leger Syrië actief in Libanon

Syrische militairen zijn gisteren de grens met Libanon overgegaan en hebben daar een Syrische burger gedood. Dat heeft een Libanese veiligheidsfunctionaris meegedeeld. De Verenigde Naties meldden tegelijk dat de bloedige repressie door het Syrische bewind van de protestbeweging inmiddels 2.900 mensen het leven heeft gekost.

De gemelde grensschendingen – eerder deze week was al een tankeenheid kort de grens overgereden – door het Syrische leger onderstreept het gevaar dat het conflict in Syrië zich over de regio uitbreidt. In Libanon hebben enkele duizenden Syriërs de afgelopen maanden hun toevlucht gezocht. Onder hen zijn met name gedeserteerde militairen en oppositie-activisten. Maar Syrië heeft van oudsher ook veel bondgenoten in Libanon, waaronder de machtige, zwaar gewapende organisatie Hezbollah. Hezbollah domineert de huidige Libanese regering ook.

Het incident van gisteren speelde zich af in de Beka’a-vallei, dichtbij de grens met Syrië. Of de Syriër deel uitmaakte van de oppositie, is niet bekend.

Volgens een woordvoerder van de Verenigde Naties is het nieuwe dodental van 2.900 gebaseerd op een gedetailleerde lijst van slachtoffers sinds het begin van de demonstraties tegen het bewind van president Bashar al-Assad, half maart. Maar hij waarschuwde dat het dodental veel hoger kan zijn, omdat ook nog duizenden mensen zijn verdwenen.

Een Syrische mensenrechtengroep meldde gisteren twaalf nieuwe doden bij gevechten tussen Syrische regeringstroepen en deserteurs in het noordwesten van het land, in de buurt van de grens met Turkije. Er is geen onafhankelijke bevestiging van dergelijke berichten omdat de autoriteiten geen buitenlandse waarnemers toelaten.

De Syrische regering kondigde vandaag aan de VN een lijst met 1.100 namen van mensen te zullen aanbieden die „zijn gedood door terroristen”. Volgens Damascus bestaat een groot deel van de oppositie tegen Assad uit terroristische groepen. Het regime is volgens de mededeling van vandaag mikpunt van een campagne van „leugens en desinformatie”. (Reuters, AP, AFP)