Kunst

Destijds, op het instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, waar ik geacht werd opgeleid te worden tot illustrator, kreeg ik van een docent de opdracht de Mozes en Aäronkerk te tekenen. Ik begon te protesteren. „Dat vind ik zo’n lelijk gebouw.” „Dan wil ik dat in je tekening zien, dat jij dat ding lelijk vindt”, zei hij streng. Een duidelijke opdracht. Op naar het Waterlooplein met mijn schetsboek , waar ik driftig voorstudies begon te maken. Het moet dus lelijk worden, zei ik tegen mezelf en zette de kerk om te beginnen een beetje scheef op het papier, begon hem vervolgens te vervormen en bouwde het ding met driehoekige elementen op, à la Lyonel Feininger, een stijl die, naar ik vurig hoopte, voldoende ‘modern’ was. Iets natekenen zoals het er in werkelijkheid uitzag, daar begonnen we in die tijd niet aan, want ‘dan kon je net zo goed een foto maken’. Die tekening is niet meer in mijn bezit, maar ik heb hem hierboven gereproduceerd.

Veel leraren hadden graag dat we abstract werkten, maar als we dan beslist figuratief bezig wilden zijn, moesten we op zijn minst enigszins „abstraheren” of „vervormen”. Wij hebben wat zitten vervormen, daar op die school.

Terwijl ik bezig was met een prent in Siberisch krijt gaf een van mijn medeleerlingen, Wijnand Wansink, mij de wijze raad „Je moet er heel zachtjes met je mouw overheen gaan, dan wordt het kunst”. En toen ik de truc na enige aarzeling uitvoerde, leek het waarachtig kunst.

Smalend spraken wij over de arme leerlingen van de concurrerende Rijksacademie, die gipskoppen moesten natekenen met schaduwpartijen en al. Zo hopeloos ouderwets waren wij gelukkig niet.

Buiten tekenen deden we ook, vooral tijdens een werkweek in Zuid-Frankrijk, waar ons werd opgedragen ‘het wezen van het landschap proberen te vangen’.

Ga er maar aan staan.