Kritische controleurs? De regering mept terug

Ministers hadden de laatste weken kritiek op het Centraal Planbureau, de Raad van State en de Rekenkamer. Waarom liggen die instituten steeds vaker onder vuur?

Het is hun werk: het kabinet kritisch volgen. Maar iedere keer dat de medewerkers van het Centraal Planbureau, de Rekenkamer of de Raad van State dat de afgelopen weken deden, kregen ze zélf weerwerk. Van de regering. Die soms liet merken zich weinig aan te trekken van de opmerkingen van de eens eerbiedwaardige instituten.

De voorbeelden zijn talrijk. Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD) liet deze week weinig heel van de conclusies van de Rekenkamer, nadat die het regeringsbeleid rond ProRail had gehekeld. Economische Zaken stuurde onlangs zelfs een brief op poten naar het Planbureau, nadat dit geconcludeerd had dat voorgenomen bezuinigingen op het persoonsgebonden budget weinig opleveren. En premier Rutte reageerde laconiek op kritiek van de Raad van State, die vond dat de Miljoenennota „onvoldoende blijk geeft van de ernst van de situatie”.

Maar zijn zulke reacties eigenlijk wel gebruikelijk?

„Ik heb de indruk dat er vroeger respectvoller werd omgegaan met instituten”, zegt Tweede Kamerlid Ineke van Gent (GroenLinks). „Conclusies worden nu heel snel gebagatelliseerd.”

Volgende week wil Van Gent de omgang met de instituten in de Kamer aan de orde stellen, bij de behandeling van de begroting van Ruttes ministerie van Algemene Zaken. „Door de kritiek van ministers worden van zulke instituten politieke lichamen gemaakt”, zegt Van Gent. „En dat zijn ze niet: ze helpen de Tweede Kamer met de controlefunctie. Dat is belangrijk werk.”

Vroeger waren dit soort spanningen er ook wel, zegt bestuurskundige Roel in ’t Veld. „Maar het lijkt erger te worden. Conclusies van critici worden minder snel geslikt.”

Volgens In ’t Veld speelt opkomend populisme een rol. „Populisten houden helemaal niet van adviseurs, van rechters, van deskundigen die hun licht laten schijnen. Dat leidt allemaal af, laat ze hun mond houden! Die druk uit populistische hoek maakt andere mensen wellicht zenuwachtig.”

Dat kritiek weinig welwillend wordt ontvangen, is volgens hoogleraar bestuurskunde Mark Bovens (Universiteit Utrecht) van alle tijden. En je moet niet op basis van een enkel incident conclusies trekken. „Maar interessant is wel dat je de opvatting over de democratie al langer ziet verschuiven in de richting naar het primaat van de meerderheid. Als de meerderheid beslist, en er dus minder geluisterd wordt naar deskundigen, is er minder behoefte aan checks and balances.”

Volgens Bovens is dit een ontwikkeling die losstaat van het kabinet. Zorgen maakt hij zich wel. „Het zou onverstandig zijn als zich dit echt doorzet, want de meerderheid heeft niet altijd gelijk.”

Guido Enthoven, die dit jaar promoveerde op de informatievoorziening van de Tweede Kamer, kan verklaren waarom de spanningen zijn toegenomen. Vroeger, zegt hij, liepen verzoeken aan het CPB altijd via de minister van Economische Zaken. Nu kan een enkele fractie al om een doorrekening vragen. „Dergelijke controleorganen zijn heel belangrijk, vooral ook omdat de Tweede Kamer zelf relatief onderbemand is voor zijn controletaak.”

Enthoven, directeur van het Instituut Maatschappelijke Innovatie, gelooft niet dat populisme altijd slecht is voor kritische instituten. „Natuurlijk neemt het automatische gezag van veel instituten in deze tijd af. De populistische tendens speelt daarin een rol. Maar die tendens heeft ook een andere kant. Instellingen als Rekenkamer, CPB en Ombudsman kijken of ‘mijn belastingcenten’ wel goed worden besteed. In die zin kan hun belang juist toenemen.”

Neemt de kritiek op de instituten misschien ook toe omdat ze zelf kritischer zijn geworden? Een regering die veel kritiek krijgt, zal eerder geneigd zijn van zich af te slaan.

Klopt, zegt Peter van Lieshout, oud-topambtenaar en nu als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zelf adviseur. Sommige instituten, denkt hij, zijn de beleidsmakers meer op de huid gaan zitten. En veel wetenschappers komen volgens hem niet met feiten, maar met opinies. „Kijk naar al die economen die met verschillende oplossingen van de crisis komen. Ook bij het CPB zie je dat mensen minder boven de partijen staan. Het Planbureau komt nu geregeld met een beleidsbrief over een actueel thema. Dat gebeurde vroeger niet.”

Van Lieshout ziet wetenschappers steeds vaker interpreteren. En steeds vaker is het adviseren, waarvoor veel instellingen eigenlijk zijn bedoeld, kritiseren geworden. „Dan zegt de politiek op een gegeven moment: tot hier en niet verder.” In Duitsland, zegt Van Lieshout, heb je verschillende planbureaus. „Die komen allemaal met andere economische verwachtingen en zijn verbonden aan verschillende partijen. Dat wil je niet. Instituten als het CPB hebben een consensus genererende rol. Dat is belangrijk in onze polder.”