Kijk, een volbloed van de golven

De IJslandse dichter en geschiedschrijver Snorri Sturluson liet in Edda verhalen na uit de Noorse en Germaanse mythologie. Zonder de Bruisketel-bron geen leven. En Troje is de navel van de wereld.

Mountains shrouded in mist seen around the coast of Reykjavik, Wednesday, February 1, 2006. Photographer: Graham Barclay/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Snorri Sturluson: Edda. Vertaald uit het Oudijslands, ingeleid en toegelicht door Marcel Otten. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 273 blz. € 24,95 Verschijnt 14 oktober.

De zee is niet zomaar een weidse vlakte met veel water, de zee heet ook ‘de gast van de goden’, ‘Deining’ en ‘huis van de zandbanken en het zeewier en de riffen.’ Ander mooi beeld voor zee: ‘land van het vistuig, de zeevogels en de gunstige wind.’ De aarde krijgt als ornament toegewezen ‘zuster van Weelde en Dag’. Beschrijft een dichter een schip, dan dient hij het te noemen ‘een volbloed van de golven’ of zelfs ‘tinkelaar der golven’. Dit heerlijke woord is een nieuwvorming, afgeleid van het werkwoord ‘tinkelen’, een helder geluid veroorzaken. Spreek ‘tinkelaar’ hardop uit, en het ruisen van de zee tegen de boeg van een schip klinkt op.

Deze fantasievolle poëtische wendingen staan in de vertaling door Marcel Otten van de Oudijslandse Edda, geschreven door dichter en geschiedschrijver Snorri Sturluson (1179- 1241). Om verwarring te voorkomen: de Edda van Snorri wordt aangeduid als de Proza Edda of Snorri Edda, geschreven rond 1222. Daarnaast bestaat de Poëtische Edda, ook Oude Edda genoemd, die werd opgetekend in de twaalfde eeuw.

Beide boeken bevatten verhalen uit de Noorse, en later de Germaanse mythologie. We komen ze allemaal tegen, oppergod Wodan, Freya, de godin van de vruchtbaarheid, liefde en wellust, en ook Thor, de god van de donder. In het Oudijslands treden ze op als Odin en Frig, Odins geliefde. Odin zelf is voortgesproten uit de koe die Zonder Hoorn heet.

Het begrip ‘oer’ is volmaakt van toepassing op deze Proza Edda. De rauwe noordse wereld met zijn natuurkrachten en woeste elementen komt in volle glorie tot uitdrukking. Een beslissende rol in Snorri’s Edda spelen drie schikgodinnen die Verleden, Heden en Toekomst vertegenwoordigen. Zij vormen het verborgen leidmotief van het boek, dat begint met de schepping en langzaam toewerkt naar de Ragnanök, de befaamde godenschemering waarin de wereld ten onder gaat. Zon en maan worden verzwolgen in deze wilde Götterdämmerung, waardoor componist Wagner zich liet inspireren. Er zijn meer ‘bijvangsten’ in deze Proza Edda. De wolf die Fenrir heet zal uiteindelijk god Odin opslokken. Fenrir is ook een roman van wijlen Hella S. Haasse die zich afspeelt in de Ardennen, waar een oerwolf ronddoolt.

In het scheppingsverhaal dat de Proloog van de Edda vormt, komen op verrassende wijze allerlei verwijzingen naar de Griekse mythologie voor. Moeiteloos verweeft Snorri het ontstaan van het onherbergzame, weerbarstige hoge noorden van de wereld met de klassieke mythologie. Zo geldt volgens Snorri’s overlevering het rijke Troje als navel van de wereld. IJsland meets Griekenland.

De verschillen tussen het noordelijke IJsland en het mediterrane Griekenland blijken in het scheppingsverhaal van de Edda gering. Het zijn vergelijkbare en op wonderlijke manier samenhangende verhalen over hoe de wereld geworden is wat hij is en wat de gevaren zijn die de mens bedreigen: oorlog, wraak van de goden, natuurgeweld.

Een intrigerend personage is de Moede Wandelaar, die zegt verdwaald te zijn. Hij krijgt onderdak in het paleis van koning Gylfi. In het deel De begoocheling van Gylfi stelt hij aan een vorst, de Hoge geheten, vragen over het ontstaan van de wereld, de luchten, de goden en alles wat erbij hoort.

De introductie van de Moede Wandelaar is een gouden vondst om het scheppingsverhaal spanning te geven. ‘Wat was de oorsprong? Hoe begon het allemaal? Wat was er daarvoor?’, vraagt de weetgierige Moede Wandelaar. En zo luidt het antwoord: ‘Vele eeuwen voor de aarde werd geschapen werd het Nevelrijk gemaakt. In het midden ervan ligt een bron die de Bruisketel heet en van daaruit stromen rivieren die Koel en Krijgspijn heten.’

Marcel Otten kiest er welbewust voor de Oudnoorse namen van goden, mythologische wezens en dierennamen te vertalen, en daardoor van betekenis te voorzien. Hierdoor heet de god Yggr de Verschrikkelijke en de mythische wolf Fenrir óók de Grijze IJzerdolk. De inspiratie voor deze fantasienamen putte hij uit de twee delen De taal van de dichtkunst en De lijst van versvormen.

Deze handleidingen voor het dichtersschap getuigen van hartstocht voor poëzie. De verbale rijkdom van het Oudijslands stijgt tot grote hoogte als we lezen dat de zon in de dichtkunst niet zomaar zon is, maar ‘de zuidgloed’ heet, en ‘de eeuwige gloeier.’ Om zijn poëtische aanwijzingen toe te lichten geeft Snorri treffende voorbeelden. De god Odin bijvoorbeeld is nieuwsgierig. Hij bezit twee raven, Gedachte en Geest. Die vliegen rond en vertellen hem wat er gebeurt op de wereld. Dat een raaf als epitheton Gedachte krijgt, zorgt voor deze onnavolgbare beeldspraak: ‘Het hart van de koning zwelt, het bonst van moed/ tijdens de slag als krijgers knielen./ De pikzwarte Gedachte zuigt bloed uit de wonden.’ Handboek-in-proza én dichtbundel tegelijk: de Edda is een onverwacht barok IJslands leesavontuur.