'In de wereld van het boek heerst een lachwekkend pessimisme'

Vandaag neemt Emile Brugman afscheid van ‘zijn’ uitgeverij Atlas. Net nu het boek in zwaar weer verkeert. Hoe dat komt? Er wordt te veel rotzooi geschreven én uitgegeven, zegt hij.

Nederland, Amsterdam, 04-10-2011 Uitgever Emile Brugman tussen de boeken hij neemt afscheid als directeur bij uitgeverij Atlas. Voor boeken 7-10. foto: Bram Budel Bram Budel

‘Ik zit achter het raam”, zegt Emile Brugman aan de telefoon tegen de fotograaf die hem die middag zal komen portretteren. Vandaag neemt de verse pensionado Brugman afscheid van Atlas, de uitgeverij die hij twintig jaar geleden oprichtte nadat hij – met vijftien auteurs in zijn kielzog – was vertrokken bij De Arbeiderspers. Atlas stond met schrijvers als Geert Mak, Frank Westerman en Jan Brokken aan de basis van de opkomst van de literaire non-fictie in Nederland.

Brugman maakte naam als een klassieke uitgever: een die zijn eigen smaak volgde, die de boeken van zijn belangrijkste auteurs zelf redigeerde en die eens in de zoveel tijd aanmonsterde op een vrachtschip om, onbereikbaar voor iedereen een paar weken te lezen en naar de golven te staren. Hij maakte intussen ook kennis met de keerzijde van de toegenomen mobiliteit van schrijvers: Cees Nooteboom keerde Atlas drie jaar geleden de rug toe. De afgelopen zes jaar combineerde hij het uitgeverschap bij Atlas met de directie van de overkoepelende Amstel Groep.

U heeft er nooit een geheim van gemaakt dat u het meeste plezier beleeft aan het reguliere uitgeefwerk. Waarom werd u ook directeur? Was u bang voor wat er zou gebeuren als iemand anders de baas was?

„Het leek me het verstandigst om het zelf te doen. Bij dat soort beslissingen speelt de angst voor het alternatief ook een rol, los van de vraag hoe gerechtvaardigd die angst is. Het directeursschap vergde wel tijd. Nu heb ik de droombaan: ik blijf nog twintig uur voor de uitgeverij werken als een ouderwetse redacteur, ook in de betekenis van een redacteur die tijd heeft. We zijn al een jaar bezig met het nieuwe boek van Geert Mak. Ik kan weer beter redigeren dan ik de afgelopen zes, zeven jaar heb gedaan.”

De boekenwereld is enorm veranderd.

„Er is in de hele wereld veel veranderd, maar in het VBK-concern niet. We zijn weleens overgenomen, of bijna, we hebben zelf weleens een uitgeverij overgenomen, maar dat zijn de gebruikelijke dingen. Er is nu grote onzekerheid in het boekenvak, die leidt vooral tot veel geouwehoer. Er heerst een lachwekkend pessimisme in de boekenwereld, we zijn nog erger dan boeren die altijd klagen over het weer.”

Er is ook wel wat aan de hand. Ontlezing, digitale concurrentie, dalende verkopen, uitgevers die moeten fuseren om het hoofd boven water te houden.

„We zijn de laatste jaren nog meer te veel boeken uit gaan geven dan daarvoor. Ik ook, je wordt gedreven door de omzet die je moet halen. Bij Atlas maakten we tien jaar geleden zeventig boeken per jaar, nu honderd. We moeten weer terug naar zeventig. Er zal de komende jaren een aantal uitgeverijen failliet gaan, maar je kunt je afvragen hoe erg dat is, behalve voor de mensen die daar werken.”

Boekhandelsketen Selexyz is bijna failliet.

„Over de teruggang van de boekhandel maak ik me grote zorgen. Uitgevers en boekwinkels staan nu tegenover elkaar om te stechelen over een paar procentjes. Maar als Selexyz straks de helft minder titels aankoopt, is dat voor ons een directe bedreiging. Nog steeds is het zo dat meer dan de helft van de klanten niet van tevoren weet welk boek ze gaan kopen. Als je dan niet in de winkel ligt, ben je kansloos.”

Het adagium onder uitgevers is nu: meer marketing. Een redacteur ontslaan en iemand aannemen om een keer extra De Wereld Draait Door te bellen, in de hoop dat dat een bestseller oplevert.

„Ze zoeken mensen die weten hoe je een boek moet vermarkten, ja. En als ze het echt wisten, zou het misschien ook wel helpen. Hoe hard je ook pusht: als je voor vier boeken aandacht krijgt, vallen er twintig buiten de boot, zo is het nu eenmaal. Ik ben bang dat de selectie al bij de uitgever begint en dan dreigt de hele middenmoot het slachtoffer te worden. Daar wordt dan tegen gezegd: je bent niet mooi genoeg, te verlegen voor televisie, niet goed te vermarkten.”

Het gaat toch om de top, niet om de middenmoot?

„Die middengroep is van levensbelang voor de literatuur. Schrijvers hebben tijd nodig om te groeien. Iedereen wil een succesvolle debutant, maar de realiteit is dat negentig procent van de schrijvers bij het debuut nog niet op de toppen van hun kunnen zit. Je moet een risico durven nemen met een schrijver, soms een betrekkelijk lor uit durven geven zodat iemand verder kan. Ik ben bang dat daar straks geen ruimte meer voor is.”

Volgende week begint de Buchmesse in Frankfurt, zonder u.

„Ik ben de afgelopen dertig jaar één keer niet geweest, toen kreeg onze auteur V.S. Naipaul de Nobelprijs. Beurzen, ook die in Londen en New York, zijn ontzettend deprimerend, boeken zijn daar alleen maar handelswaar. Ik voel me vies als ik er vandaag kom. In een week tijd spreek je misschien twee mensen die het met werkelijke passie over literatuur hebben. En heel soms zelfs over een boek dat langer dan twee maanden geleden verschenen is. Uitgevers zijn net zo dom als ieder ander, ze lopen allemaal achter elkaar aan, bieden op manuscripten die ze nog niet hebben kunnen lezen. Uiteindelijk is er een handvol agenten en uitgevers in New York die grotendeels bepalen wat de belangrijke boeken zijn.”

Zoals het werk van Murakami, dat u uitgeeft. U doet er dus óók aan mee.

„Als je zoals ik vertaalde literatuur wilt uitgeven, heb je geen keus. Ooit zijn er van Murakami twee boeken bij Bert Bakker verschenen. Jaren later werd ik nieuwsgierig naar die schrijver die ik in alle Britse boekwinkels zag liggen. Ik moest me over iets heenzetten, want ik heb iets tegen boeken waarin het kikkers regent. Desondanks werd ik gegrepen en is Murakami ook hier een groot succes geworden.”

Moet u ervoor vechten om een ster als Murakami in huis te houden?

„Dat niet, maar we moeten er steeds meer voor betalen, er zou een moment kunnen komen waarop dat te veel wordt.”

Spreekt u die andere Nobelprijskandidaat, Cees Nooteboom, nog wel eens?

„Vorig jaar zag ik hem nog rondom de uitreiking van de Gouden Uil, die hij won. We hebben geen ruzie. Je moet het zien als een huwelijk, huwelijken gaan soms kapot, van beide kanten. Dat risico zit erin, zeker als je zo nauw samenwerkt met een schrijver. En dan moet je geen halve maatregelen nemen.”

Is de opkomst van de literaire non-fictie uw grootste succes?

„Die term is niet meer dan een reclameslogan. Met schrijvers als Geert Mak, Frank Westerman, Benno Barnard en Jan Brokken voel ik me natuurlijk wel verbonden. En ik heb altijd veel Angelsaksische literatuur gelezen, dat maakte het voor mij relatief eenvoudig om die boeken te redigeren.”

Nu zijn ze overal.

„En dus verschijnt er veel rotzooi. Ik krijg nu veel non-fictie manuscripten waarin alle film- en tv-trucs uit de kast worden gehaald: de ene cliffhanger na de andere, sprongen in de tijd. Terwijl je een goed verhaal ook gewoon van A tot Z kunt vertellen.”

Is dat uw grote kracht, streng zijn voor schrijvers?

„Een uitgever moet vooral luisteren, mensen over hun passie laten praten. Ik had ooit een afspraak met een socioloog die een boek over opera zou vertalen. Bij het aantrekken van onze jassen kwamen we over wielrennen te spreken. We zijn weer gaan zitten. Benjo Maso heeft dat operaboek nooit vertaald, maar wel Het zweet der goden geschreven, het mooiste Nederlandse wielerboek ooit. Je moet mensen laten ontdekken waar ze echt over willen schrijven, want vaak weten ze dat zelf niet.”