In de Nijldelta

Op de televisie zag ik Tomas Tranströmer, de nieuwste (maar met zijn 80 jaar niet de jongste) Nobelprijswinnaar voor literatuur, hulpeloos en zwijgend naast zijn vrouw zitten, terwijl zij het woord voor hem deed. Wat was er met hem aan de hand? Dat kregen we niet te horen, maar daar hebben we gelukkig nog altijd de dode bomen voor, die goeie ouwe kranten die langer dan een minuut mogen stilstaan bij zo’n gebeurtenis.

Tranströmer is gedeeltelijk verlamd en kan niet meer praten sinds hij in 1990 een hersenbloeding kreeg. Wel speelt hij met zijn linkerhand nog steeds piano. Toen ik hem zo broos zag zitten luisteren naar zijn vrouw, kwam het beeld van Harold Pinter bij me op, ook al verkruimeld door de ouderdom toen hij de Nobelprijs kreeg. Bevend stond hij voor zijn huis de pers te woord. Kunnen ze er geen gewoonte van maken die prijs veel eerder toe te kennen, als iemand er nog volop van kan profiteren?

Tegelijkertijd was die scène op tv voor mij een aansporing mijn vrouw een van de gedichten van Tranströmer voor te lezen. Het (ik) kon nu nog!

Zijn poëzie is niet altijd goed voorleesbaar, maar na enig zoeken stuitte ik op dit gave exemplaar uit Het wilde plein, net als de andere poëzie van Tranströmer vertaald door J. Bernlef, die nu eindelijk beloond wordt voor zijn pioniersarbeid. Het heet: In de Nijldelta. Het bestaat uit vier strofen van elk vier regels, maar wegens plaatsgebrek moet ik het achter elkaar laten afdrukken.

De jonge echtgenote huilde boven haar eten/ in het hotel na een dag in de stad/ waar zij de zieken zag, kruipend en liggend,/ de kinderen gedoemd te sterven van gebrek./ Zij en de man gingen naar hun kamer/ waar men water gesprenkeld had tegen het stof./ Ieder ging in zijn eigen bed, zonder veel te zeggen./ Zij viel in een diepe slaap. Hij lag wakker./ Buiten in het duister trok een enorm lawaai voorbij./ Gemurmel, gestamp, geroep, wagens, gezang./ In groot gebrek. Het hield maar niet op./ En hij viel in slaap, gekromd in een nee./ Een droom kwam op./ Hij was op een zeereis./ In het grauwe water ontstond een beweging en/ een stem zei: „Er bestaat iemand die goed is./ Er bestaat iemand die alles kan aanzien zonder te haten.”

Een indrukwekkend gedicht – alleen al die eerste strofe, ja, alleen al die eerste zin. Zo invoelbaar. De hele dag door de hete stad gestruind, veel moois maar ook veel narigheid gezien en dan, in de hotelkamer, op jezelf teruggeworpen als de beelden weer bovenkomen. Man en vrouw, ieder voor zich, ook in die huiskamer in Amsterdam waar ik het net voorgelezen had.

„Mooi”, zei ik, „toch?”

„Ja”, zei mijn vrouw, „alleen dat einde. Hoezo: iemand die goed is en alles kan aanzien zonder te haten?”

„Zeg maar God. Tranströmer is een religieuze dichter.”

„Jawel, maar wat schieten we daarmee op, hoe goed is iemand die kennelijk niets doet, maar alles rustig bekijkt, is het dan nog wel zo’n verdienste als je niet haat?”

Ik voorzag boze reacties van lezers die me al eerder hebben verweten dat ik God van alles de schuld geef, en zei: „Voor gelovigen als Tranströmer is het een troost dat er altijd iemand is die bereid is tot begrip en vergeving. Bovendien, het is poëzie, je moet niet alles zo letterlijk nemen.”

Ik zag aan haar gezicht dat ik haar niet overtuigd had. Man en vrouw. Ik mag het niet denken, maar het scheelt soms een hoop complicaties als een van de twee niets meer kan terugzeggen.

    • Frits Abrahams