Hoera, hoogopgeleid! Maar dan moeten ze wel blijven

De succesvolle allochtoon is gevoelig voor ongastvrije geluiden, stelt Alexander Rinnooy Kan. Wat meer waardering, vooral van politici, kan geen kwaad.

Angst is een slechte raadgever. In Opinie & Debat (1 oktober) maakt Coen Teulings zich dan ook terecht zorgen over de ongefundeerde angst van intellectuelen die in de opkomst van allochtone minderheden de ondergang van het Avondland zien aangekondigd (Tatoeages zijn overal – dat zijn zíj).

Hij heeft natuurlijk gelijk. Angst is niet alleen een slechte raadgever, het is ook een slechte voorspeller, een activiteit die onder omstandigheden van maximale nuchterheid al lastig genoeg is. Angst leidt vooral af.

Maar angst voor iets onbestemds is iets anders dan vrees voor een reële bedreiging. Coen Teulings heeft volstrekt gelijk als hij verwijst naar de positieve ontwikkelingen in het opleidingsniveau van allochtone jongeren: hun schooluitval neemt af, het percentage hoger opgeleiden neemt toe. Maar dat is niet vanzelf gegaan; er is flink in geïnvesteerd en hard aan gewerkt. Elders hebben vergelijkbare positieve ontwikkelingen ernstige onlusten niet weten te verhinderen. En op andere fronten is er in Nederland aanzienlijk minder vooruitgang.

Zo blijft de criminaliteit onder Nederlandse allochtone jongeren steken op een systematisch hoger niveau dan dat van hun autochtone leeftijdsgenoten, met als extra zorg dat de statistieken van de tweede generatie Turkse en Marokkaanse jongeren slechter zijn dan die van de eerste generatie – rechtstreekse achteruitgang, dus. Er is een al even hardnekkig verschil tussen allochtone en autochtone werkeloosheidscijfers, ten nadele van de eerstgenoemde groep. En ook het aantal wijken waar meer dan vijftig procent van de bevolking allochtoon is, is de afgelopen tien jaar toegenomen – en daarmee is het aantal vrijetijdscontacten tussen allochtonen en autochtonen vrijwel constant gebleven, op een laag niveau.

Het beeld is dus gemengd. Er is slecht nieuws: anders dan Coen Teulings hoopte, zijn de opleidingsverschillen weliswaar afgenomen, maar de criminaliteitsverschillen en de werkeloosheidsverschillen juist niet. Maar er is ook goed nieuws. Meer en meer allochtonen beheersen de Nederlandse taal. Meer en meer van hen dringen door tot de maatschappelijke middenklasse, en meer en meer van hen worden succesvolle ondernemers.

Dat is bemoedigend en schept verwachtingen over de rol die zij zelf kunnen spelen bij het aanpakken van de resterende ongewenste verschillen tussen de nieuwe en de oude Nederlanders. Goed opgeleide, maatschappelijk succesvolle allochtonen kunnen, alleen al als rolmodellen, een belangrijke bijdrage leveren aan de verdere integratie van de groepen waaruit zij voortkomen.

Maar dan moeten ze wel in Nederland blijven, en dat spreekt niet vanzelf. Juist hoger opgeleide allochtonen blijken extra gevoelig te zijn voor signalen uit de samenleving dat zij minder welkom zijn dan voorheen. Ironisch genoeg neemt daardoor met de zo welkome verhoging van het opleidingsniveau de kans toe dat zij gaan kiezen voor zichzelf, en op termijn een minder gastvrije Nederlandse omgeving gaan inruilen voor alles wat de internationale arbeidsmarkt hun kan bieden.

Dat zou voor Nederland een groot verlies betekenen. Van succesvolle allochtonen mag zeker een bijdrage gevraagd worden bij het verbeteren van het perspectief voor hun minder fortuinlijke gemeenschapsgenoten, maar ondubbelzinnige waardering voor hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving is het minste wat daar tegenover hoort te staan. In het bijzonder vanuit de politiek mag daaraan een bijdrage worden verwacht: het is niet voor niets dat juist deze groep zich door politici van alle partijen regelmatig in de steek gelaten voelt.

Vooruitgang is heel goed mogelijk. Er is helemaal geen reden voor blind pessimisme over de toekomst van de nieuwe Nederlanders. Maar het gaat niet vanzelf goed. Angst is een slechte raadgever, maar blind optimisme is een slechte geruststeller.

Alexander Rinnooy Kan is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.