Het open raam

Op een ochtend stond ik mij boven

te scheren

voor het open raam.

Zette het scheerapparaat aan.

Het begon te spinnen.

Het zoemde luider en luider.

Het groeide aan tot geraas.

Het groeide aan tot een helikopter

en een stem – van de piloot – drong

door het geraas en schreeuwde:

‘Houd je ogen open!

Je ziet dit voor de laatste keer.’

We stegen op.

Vlogen laag over de zomer.

Zoveel waar ik van hield, heeft het nog enig gewicht?

Dozijnen dialecten van groen.

En vooral het rood in de wanden van houten huizen.

De torren glansden in de mest, in de zon.

Kelders met wortel en al uitgetrokken

zeilden door de lucht.

Activiteit.

De drukpersen kropen voort.

Op dit moment waren de mensen

de enigen die zich schuilhielden.

Zij namen een minuut stilte in acht.

En vooral de doden op de dorpskerkhoven

waren stil.

zoals men poseerde voor een foto in de beginjaren van de camera.

Vlieg laag!

Ik wist niet waar

mijn hoofd te wenden –

mijn gezichtsveld gedeeld

als dat van een paard.

Beide gedichten vertaald door Bernlef. Uit: Het wilde plein, De Bezige Bij, 1993