Gereformeerden vochten elkaar in de oorlog de tent uit

Wim Berkelaar en Gerard Raven (red.): Kerkscheuring in oorlogstijd . De Vuurbaak, 110 blz. €17,50, plus dvd

Het blijft onvoorstelbaar dat de gereformeerden in de Tweede Wereldoorlog niet alleen de confrontatie aangingen met de bezetter, maar ook elkaar de tent uitvochten. De gemoederen liepen zo hoog op dat de strijd uitdraaide op een complete kerkscheuring, die bekend staat als de ‘Vrijmaking’.

In 1944 zette de synode van de Gereformeerde Kerken de Kamper hoogleraar Klaas Schilder en zijn volgelingen de kerk uit, omdat zij niet wensten in te stemmen met een door Abraham Kuyper vastgestelde leer over de kinderdoop. Het ging om een theologische discussie die zo ingewikkeld was, dat alleen ingewijden haar konden volgen. Zelfs de historicus Lou de Jong had geen idee, zo liet Maarten ’t Hart zien bij de presentatie van het boek Kerkscheuring in oorlogstijd. ’t Hart kreeg het eerste exemplaar aangeboden omdat hij werkt aan een roman over de Vrijmaking.

Publicatie van dit boek maakt deel uit van het overheidsproject Erfgoed van de oorlog, dat erop gericht is om de materiële en immateriële erfenis van de Tweede Wereldoorlog voor de 21ste eeuw veilig te stellen. Wim Berkelaar, als historicus verbonden aan het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, sprak tientallen gereformeerden uit Amersfoort en Utrecht over de vraag hoe zij als jongeren de combinatie van oorlog en kerkstrijd hadden beleefd. Delen van die gesprekken zijn op dvd bij het boek gevoegd.

Het boek biedt een goed gedocumenteerde inkijk in de oorlogsomstandigheden in Amersfoort en Utrecht. De pastorie van dominee Benne Holwerda stond vlak bij het station van Amersfoort. Op basis van de bewaard gebleven briefwisseling tussen de vrouw van deze dominee en haar moeder, krijg je een scherp beeld hoe diep de oorlog op het leven in de pastorie ingreep: langs trekkende gevangenen op weg naar kamp Amersfoort, ontmoetingen met het verzet, bommen op het rangeerterrein, pastorale zorg (en ontsnappingen) op het station en een foute politiecommissaris als overbuurman die niet schroomde een collega-predikant op te pakken. Toch was Holwerda niet bang. Toen tijdens een kerkdienst de Engelse vliegtuigen overtrokken, noemde hij dat ‘het lied van onze bevrijding’, vertelt J. Vonkeman, een van zijn toenmalige kerkgangers.

Daarnaast biedt het boek een overzicht van de gereformeerde burgeroorlog in de twee steden. Sommige predikanten stonden eerst achter de strijd van Klaas Schilder tegen de synode, maar wensten uiteindelijk niet mee te gaan met de Vrijmaking. Anderen stonden aanvankelijk juist gereserveerd tegenover Schilders gestook, maar besloten uiteindelijk tóch mee te gaan. Anders dan op veel andere plaatsen slaagden de gereformeerden er in Amersfoort en Utrecht medio 1944 wel in tot het einde van de oorlog een kerkelijke godsvrede in acht te nemen. Maar toen de wapens in 1945 zwegen, was de scheuring ook daar binnen de kortste keren een feit. Latere pogingen om de verhoudingen tussen vrijgemaakten en synodalen te herstellen liepen op niets uit, ondanks excuses van synodale kant.

Het boek biedt geen antwoord op de vraag hoe het toch mogelijk was dat men schouder aan schouder tegen de Duitsers vocht, maar onderling zo’n ruzie maakte dat men elkaar op straat nauwelijks wenste te groeten.

In huize Holwerda stonden de twee conflicten in elk geval geheel los van elkaar. Er is wel geopperd dat het conflict zo kon oplopen, omdat de Duitsers alleen kerkelijke vergaderingen toestonden. Maar aanwijzingen dat de kerkelijke strijd een uitweg was voor de onmacht op nationaal terrein een vuist te maken zijn er niet. De bijgevoegde interviews bieden daarvoor evenmin aanknopingspunten.

Het meest logisch lijkt de hypothese dat het kwaad zat in de ego’s van theologen die elkaar Gods licht in de ogen niet gunden. De eind vorig jaar overleden VU-bioloog Jan Lever noemt op de dvd de (synodale) VU-theologen H.H. Kuyper en V. Hepp respectievelijk ‘een misselijk mens’ en ‘niet best’ en (de vrijgemaakte) Schilder ‘een pestkop’. Maarten ’t Hart citeerde uit een gesprek dat hij had met VU-professor G.C. Berkouwer, synodevoorzitter in 1944: ‘Wij waren bang voor Schilder, omdat hij veel slimmer was dan wij.’ Misschien biedt de verbeeldingskracht van zijn roman over de Vrijmaking een antwoord.