Er kwam stoom, spoor en stroom

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week veertig historici over veertig plaatsen van herinnering in Overijssel

In de jaren tachtig begon de Franse historicus Pierre Nora aan zijn project Les lieux de mémoire: de beschrijving van de geschiedenis via betekenisvolle plekken. Het vond in Nederland navolging in de vier dikke delen Plaatsen van herinnering, met in totaal 164 plaatsen, zoals hunebedden, Goejanverwellesluis, de Afsluitdijk, Westerbork, Bartlehiem. Het was natuurlijk lastig kiezen. Er waren nog veel meer plaatsen die in aanmerking kwamen om herinnerd te worden. Je zou ook voor één provincie zo’n boek kunnen maken. Dat was wat Wim Coster en Mai Spijkers bedachten, en dat heeft een enorm zwaar (1200 gram) en dik (542 bladzijden) boek opgeleverd, met veertig stukken van veertig verschillende historici over veertig plaatsen van herinnering in Overijssel.

Soms gaat het om plaatsen die ook landelijke betekenis hebben gekregen. Ik noem ijsbaan Bellingeweer in Dalfsen, waar Erben Wennemars zijn eerste slagen maakte. Soms gaat het om lokale geschiedenis die een parallel vertoont met de (inter)nationale geschiedenis: de komst van de eerste elektriciteitscentrale in Borne. Soms gaat het om archeologie (de zandsteenformatie in Losser), folklore (Hutt’nkloas), religie (Krishnamurti in Ommen), wetenschap (de plek waar dokter Kolff zijn eerste kunstnier in elkaar knutselde) of poëzie (de laatste jaren van J.C. Bloem in Kalenberg). Het is allemaal aardig om te lezen, maar ook wat braafjes en opsommerig.

Ik wandel door dit boek, loop mijn geboorteplaats Haaksbergen binnen en zie een hoofdstuk over De Bleeck. De Bleeck! Het grote, geheimzinnige, door hoge bomen aan het zicht onttrokken landhuis aan de beek, waar je alleen met een grote boog omheen kon lopen. En dat deed ik ook, op mijn vele tochten, met mijn vriendjes en met onze hond. Ik herinner me elke boom, elke struik, het beschutte heideveldje, de boom waar die zieke uil toen in zat. Aan de overkant van de beek, waar De Bleeck lag, mocht je niet komen. En dus fantaseerde ik aan mijn kant maar wat over koetsen, pauwen en oud geld. De tijd stond er al eeuwen stil.

Nu weet ik dat het allemaal anders was. Eerst was er alleen maar een kale bleekplaats. Maar toen verscheen er, in 1859, een stoomketel. Dat werd het begin van de stoomblekerij. En al snel kwamen er, elders in het dorp, textielfabrieken bij, met nog meer stoom. Er kwam spoor. Er kwam elektrische stroom. Er kwam uitbreiding, het ging goed, en toen ging het minder – en na een eeuw was het allemaal weer verdwenen. Zo leidt Wim Nijhof ons, aan de hand van de lotgevallen van de firma Jordaan, door de geschiedenis van de Twentse textielindustrie.

Er is nu niets meer van te zien. De stoomblekerij werd in 1912 al weer afgebroken. Toen pas verrees hier het grote huis, waar later een bleke jongeling omheen liep te dromen. Maar over dit soort sterke herinneringen gaat dit stuk niet. Wel over de officiële geschiedenis. Ergens op het terrein schijnt nog een klein schuurtje te staan. ‘In het uit de achttiende eeuw daterende verfhuisje, waar geweven goederen werden gekleurd, staan nog oude verfkuipen met indigobollen.’

Wim Coster en Jan ten Hove (red.): Overijssel. Plaatsen van herinnering. Bert Bakker / Historisch Centrum Overijssel, 542 blz. € 39,95